De laatste Eibergse berkelschipper

Gerrard Wolfs bijgenaamd de Jappe

Sinds er weer zompen op de Berkel varen, weet iedereen in Eibergen wel dat Gerrard Wolfs, bijgenaamd de Jappe, de laatste Eibergse berkelschipper was, maar daarmee houdt de kennis over hem veelal op. In Old Ni-js 54 en 55 had ik al wat over berkelschippers geschreven, maar over deze Gerrard Wolfs zelf wist ik eigenlijk niets, ondanks het feit dat hij heel ver weg familie van mijn moeder bleek te zijn. De Historische Kring Eibergen is inmiddels eigenaar van het oude huisje van de Jappe in de Holterhoek en dat was voor mij de aanleiding om wat meer over Gerrard Wolfs aan de weet te komen.
Hierbij kreeg ik hulp van Herman Schepers, die niet alleen veel weet, maar ook veel heeft bewaard. Zo beschikt hij over een serie brieven, die zijn opoe en zijn oom Jan hebben geschreven aan zijn vader Hendrik Schepers, toen deze in 1922 in militaire dienst was. Zij schreven daarin allerhande wetenswaardigheden over het dagelijks leven in de Holterhoek en daarmee hielden zij Hendrik bijna dagelijks op de hoogte van wat er zoal gebeurde. De familie Schepers woonde toen op De Beyer, op de kruising van de Hagensweg en de Zwilbroekseweg, dus dichtbij de Jappe.

alt textOok Borculoër Henk Waanders, drijvende kracht achter het vroegere dansorkest The Moodchers, leverde een bijdrage. Hij heeft allerhande verhalen van zijn vader Graads en ook eigen herinneringen opgeschreven.
Tevens raadpleegde ik diverse boeken, die in de loop der tijd zijn geschreven over de berkelschippers, aan de hand waarvan ik enigszins een beeld kreeg, wie de Jappe was en hoe hij de kost moet hebben verdiend. Dit verhaal is geen volledige levensbeschrijving van de Jappe, het licht slechts een tipje van de sluier op.

Wie was Gerrard Wolfs?

Gerrard Wolfs werd op 20 augustus 1857 in Eibergen geboren als zoon van Rinze Wolfs en Gerritjen Wormeester. Rinze en Gerritjen woonden toen in het “Achterom” van huisnummer A31 ofwel Grotestraat 36 (nu nieuwbouw gemeentehuis). Hier werd Gerrard geboren en vervolgens verhuisden ze naar het pand naast Gellekink (nu bakkerij Boenders) aan de Brink. Tussen 1871 en 1880 verhuisde de familie naar huisnummer B34a in de Holterhoek, het huisje dat naderhand De Jappe werd genoemd.
Niet alleen vader Rinze Wolfs was berkelschipper, maar ook de vader van Gerritjen, Stoffer Wormeester had dat beroep, zodat Gerrard Wolfs het varen niet alleen met de paplepel, maar ook met de moedermelk binnen kreeg. Gerrard had twee broers, Christoffer geboren op 7 november 1852, later ook berkelschipper en Gradus geboren 4 november 1855. Zijn zuster Trijntje werd geboren 15 augustus 1861.
Op 9 mei 1901 trouwde Gerrard Wolfs in Eibergen met Elisabeth Arfman. Zij was in 1871 in Groenlo geboren en bij haar huwelijk was ze dienstbode. Uit het Gelders Archief bleek, dat Gerrard in 1903 aangifte deed van de geboorte van een levenloos kind.

Petroleum, jenever en zilverzand

In verschillende boeken over de berkelschipperij kwam ik een en ander over Gerrard Wolfs aan de weet. In Varen waar geen water is las ik: “Gerrard Wolfs, bijgenaamd de Jappe, was een korte en dikke man, die een ruitje had in het achterschot van zijn vooronder en zijn plecht was beslagen met zink. Hij vervoerde omstreeks 1890 veel vaten petroleum, vaten jenever en ook zilverzand. En wat later, naast het zilverzand, ook wel eens turf uit het Haaksbergerveen. Het zilverzand kwam uit de omgeving van Vreden en werd door de huisvrouwen gebruikt om eenmaal per week over de vloeren van hun keukens te strooien. Maar het werd niet alleen als vloerbedekking gebruikt, ook goud- en zilversmeden deden er hun voordeel mee.”
In het boek Uit Berkelbronnen las ik verder, dat het vervoer van vaten jenever door de berkelschippers wel degelijk belangrijk was. Of dit belang van zakelijke of van andere aard was, is mij niet duidelijk geworden. Auteur Ger Dijkstra geeft namelijk de volgende verklaring: “De schippers waren er bijzonder handig in om met een soort rietje een deel van de hen toevertrouwde waar zelf op te drinken. Om te voorkomen, dat deze illegale consumptie werd ontdekt, werd van de bovenzijde druppelsgewijze water aan de vaatjes “Korn” toegevoegd. Als dat langzaam gebeurde vermengde het water zich met de Duitse jenever zonder dat het opviel.”

Ruige kerels met losse handjes

Voor buitenstaanders hadden de berkelschippers de reputatie van ruige kerels, die de handen nogal los hadden zitten, maar ook van vrolijke drinkebroers, die graag zingend door het leven gingen. Maar het romantische beeld dat de buitenwereld had over de berkelschippers kwam nauwelijks overeen met de werkelijkheid. Die was anders, het was een hard en onzeker bestaan op de nauwelijks bevaarbare Berkel. Vaak moest de schuit met menskracht worden getrokken, want alleen bij hoog water en een behoorlijke wind konden de zompen zeilen, de sterk meanderende Berkel leende zich daar niet voor.

In De laatste berkelschipper in Borculo schrijft H.W. Heuvel hierover, dat het stroomaf best ging, maar stroomop moesten de schippers het zeel om het middel binden en als een paard aan de lijn zeulen. Daarbij kwamen nog problemen met te weinig of te veel water, zandbanken waar men op vast kwam te zitten, problemen met de stuwen en de molenaars.
Sommige plaatsen waren moeilijk te bevaren, soms zeer gevaarlijk, zoals bij Oldenkotte, waar Jan Hendrik te Scheggert schipbreuk leed en met zomp en al verging. Ook het ongeluk met een vlot op de Berkel bij Rekken, heeft ons weer eens bewust gemaakt van het gevaar van varen op de Berkel.
De berkelschippers moesten inderdaad heel hard werken, hele lange dagen maken, daarnaast ook vaak nog een stuk grond bewerken. Altijd hadden ze wel een bijverdienste. Zo vertelde Borculoër Gerhardus (Graads) Waanders over de bijverdiensten van berkelschippers het volgende verhaal: “Niet allene met varen, moor ok veur het streupen van vis, wild of gevögelte waren ze te porren. Zoo veurzagen ze zich in eur onderhold tiedens de langdurege reizen van een lekker en goedkoop mäöltje vis of een mooi knientje of een haze. Zo geet ’t verhaal, dat de Jappe uut Eibarge in een plaatselek café an den kastelein een mooi wild knien leet zeen. Hee had het knien achter den reem van ziene wieje bokse laoten zakken. Gin jachtopziener of veldwachter dee de Jappe zol betrappen met een gestreupt knien. Ondertussen dronk e het ene borreltje nao’t andere, tutdat e met een mooi mundje vol foezel ’t café uut stapten. De kastelein, niejsgiereg dat e was, kek stiekum achter ’t gedien hen en zag dat de Jappe in de götte stond te pissen. In de hand heeld e een knienenpeutje, terwiel um ’t water uut de bokspiepe leep.”

Nieuwe leven aan de wal

Naast het varen gaven drank en bijverdiensten een extra dimensie aan het leven van de berkelschipper. Maar heel veel kwam neer op de vrouw van de schipper, die er alleen voor stond, zodra haar man weer was vertrokken. En zo zal het ook bij de Jappe zijn geweest, zijn vrouw wist nooit wanneer