Uncategorized

Old Ni-Js nummer 5 HTML versie tbv zoekfunctie

Deze pagina bevat een door AI ingelezen versie van Old Ni-js. De opmaak is derhalve niet 100% maar wordt wel door Google en de zoekfunctie van deze website ondersteund. Wilt u een beter versie ga dan naar: https://www.historischekringeibergen.nl/old-ni-js-nu-als-pdf-te-lezen/


INGEKOMEN 3 Ü M L

B E S T U U R H.K.E,

E.H. Wesselink. Hondevoort 22, 7152 BA Eibergen
B.H.M, te Vaarwerk. Stokkersweg 12, 7151 MK Eibergen
J. Baake. K.Nieuwenhuizenstraat 5, 7161 VB Neede
H.G. Schepers. Grotestraat 69, 7151 BB Eibergen
G. Dijkstra. Wenneker 57, 7152 HD Eibergen
G. te Nijenhuis. Rekkenseweg 34, 7157 AE Rekken
H.E. Grobbee. de Haarstraat 2, 7156 LN Beltrum

Administratie: Bank:

Historische Kring Eibergen, Rabo Bank Eibergen
K.Nieuwenhuizenstraat 5, rek. nr. 31.64.48 095
7161 VB Neede. t.n.v. Hist. Kring Eibergen
tel. 05450 – 4001 postgiro v.d. bank 902 703

Redaktie: G. Dijkstra, B.H.M, te Vaarwerk en J. Baake.
Ontwerp- omslag: H.K. Berloth, vignet: G. Hazewinkel.
Foto’s: W.J. Heinen en J. Baake.
Geheel of gedeeltelijke overname van artikelen is alleen toe-
gestaan met schriftelijke toestemming van de auteurs.
-1-

old ni-js
Kroniek van Eibergen,
Beltrum, Rekken en Zwolle

2e jaargang no. 5 maart 1987

INHOUD VAN DIT NUMMER

– Het rode bolwerk, door G. Dijkstra blz. 3

– De molen van Groot Zevert in Voor-Beltrum,
door Mevr. M. Verheyen – Klein Gebbinck blz. 11

– Grens perikel en in Rekken, door G. te Nijenhuis
en B. te Vaarwerk blz. 20

– Brieven van landverhuizers, deel 4: “The Boevink
History”, door E.H. Wesselink blz. 24

– De hof ton Alvinckhove, deel 5: Gerrit Scholte
Olminkhof: werkgever van meiden en knechten,
door J.J.M. Olminkhof blz. 37

– Scheppels Mankzaod, door E.H. Wesslink blz. 40

– Een boerenzoon uit Beltrum migreert naar “Holland”,
door Th.P. Vrakking te Bus sum blz. 44
– 2-

Ons Huis was vele garen een echt tehuis voor links
Eibevgen, Het is momenteel clubgebouw van de muziek-
vereniging Euphonia. (Coll. J. Schaperolaus)
1
– 3 –

Het rode bolwerk

Van 1920 tot 1975 was gebouw Ons Huis aan de Kerkstraat, het
huidige clubgebouw van de muziekvereniging Euphonia, onbe-
twist het rode bolwerk van Eibergen. Hier vonden SDAP, de
Fabrieksarbeidersbond, de Bouwvakbond, de Textiel bond en de
Geheelonthouders Vereniging onderdak. Later kwamen daar ook
de VARA, de toneelvereniging Tot Steun in den Strijd en na
de oorlog de zangvereniging Morgenrood bij.
De rode familie anno 1920 sloeg de handen ineen en stichtte
de “NV tot aankoop en exploitatie van gebouwen en vergader-
lokalen”. Aanleiding hiervoor was de eerder genoemde tegen-
werking van de plaatselijke zaal houders om SDAP of vakbonden
zaal ruimte te verhuren; de meeste zaal houders wilden dat ei-
genlijk wel, maar werden onder zware druk gezet door fabri-
kanten en geestelijkheid. “Een uit nood geboren bolwerk van
de arbeidersvereniging”, zo schreef Tubantia dan ook bij de
verkoop van Ons Huis in 1975.
Uit nood geboren, dat wel, maar vanaf het eerste moment pak-
te een aantal leden van genoemde organisaties de zaken goed
aan. Met name mevrouw G.A. ter Braak- Huizinga maakte zich
bijzonder verdienstelijk voor Ons Huis. Mevrouw Ter Braak was
de afgevaardigde van de geheelonthouders in het bestuur.
Jarenlang beheerde zij de financiën van de NV; een moeilijke
klus, want geldgebrek heeft tijdens de gehele historie van
Ons Huis helaas een prominente plaats ingenomen.
Het eerste bestuur, dat op 23 oktober 1920 werd gekozen, be-
stond uit voorzitter G. Schaperclaus (namens de SDAP), secre-
taris C. Dijkmans (Textielarbeidersbond), penningmeester me-
vrouw Ter Braak en voorts de leden C. Blankenstijn (Bouwvak-
bond) en D.J. Ribbels (Fabrieksarbeidersbond).
Tevens werd een commissie van bijstand gekozen, die eveneens
bestond uit vijf personen. Daarbij was ook meester Vos, die
zitting had namens de Geheelonthouders. J. Schaperclaus zat
er namens de SDAP. De vakbonden werden vertegenwoordigd door
D. Schaperclaus, G. Timmermans en H. ter Huurne.
Opvallend genoeg bleven de functies van directeur en commis-
saris (lid van de commissie van bijstand) soms lang in handen
van bepaalde families. Dat blijkt al uit de namen van de laat-
ste drie directeuren: H. Schaperclaus, G. Ribbels en H. ten
Lohuis. De eerste twee familienamen vinden we al bij de op-
richters en Ten Lohuis was al in het begin van de jaren der-
tig commissaris.
– 4 –

Anderen die veel voor Ons Huis hebben betekend zijn J.H. ter
Huurne en G. v.d. Las, die beiden voorzitter zijn geweest,
A. Kruidenier, verschillende leden van de familie Pelle, le-
den van de familie Timmermans, D. Sanders, H.J.Lantink en nog
vele anderen, die misschien wat minder voor het voetlicht tra-
den, maar die er voor zorgden dat Ons Huis een druk bezocht
ontmoetingscentrum werd. “Een eigen gebouwtje voor de moderne
bewegingen was destijds hoognodig”, vertelt B. Himmelberg,
die voor de oorlog het administratieve gedeelte van mevrouw
Ter Braak overnam in de functie van administrateur. Hij bleef
op zijn post tot de liquidatie van de NV in 1975.
Met de aankoop en verbouw van Ons Huis was destijds een bedrag
van 7303 gulden gemoeid. Om dat geld bijeen te krijgen werden
250 aandelen uitgegeven van 20 gulden per stuk. Tal van vak-
bonds- en partijleden kochten zo’n aandeel maar zonder de
steun van enkele grote aandeelhouders had de NV het niet gered.
Grote aandeelhouders waren de Coöperatie De Dageraad (12), de
NV tot afschaffing van alcoholische dranken (25), de SDAP (20),
mevrouw Ter Braak (14) en burgemeester Smits, die maar liefst
50 aandelen kocht, 20 procent van het totaal.
Bij de dood van Smits in 1927 liet hij het grootste deel van
zijn aandelenpakket na aan de NV. De burgemeester, die de ge-
meenschap ook zijn prachtige villa aan de Grotestraat schonk
(het huidige gemeentehuis), stond bekend als een groot filan-
troop. Hij was een telg uit een oude handelsfamilie.
Hij behoorde niet tot de nieuwe “rijken”, die eerst in de
tweede helft van de 19de eeuw tot welstand kwamen en vervol-
gens dachten dat de wereld hen alleen toebehoorde.
Smits nam duidelijk afstand van zo’n houding; meer in de tra-
ditie van de vroegere adel had hij belangstelling voor alle
lagen van de bevolking. Eerder hebben we al gezien dat hij een
man als meester Vos daadwerkelijk steunde. Bekend is ook, dat
hij tijdens kermisdagen een draaimolen huurde, waar de Eiberg-
se kinderen vervolgens gratis gebruik van konden maken.
De voornaamste zorg van de NV gold de exploitatie van het ge-
bouw, dat werd gehuurd door weinig kapitaalkrachtige organi-
saties of personen. Zo vergaderden de stakende arbeiders van
de Pickerfabriek er in 1921. Moest daarvan nu geld worden ge
vraagd? Natuurlijk niet.
Penningmeester mevrouw Ter Braak moest voortdurend alle zei-
len bijzetten om de touwtjes aan elkaar te knooen. Omdat van
de 250 aandelen slechts een bedrag van 4096 gulden was volge-
stort, kwam Ons Huis nog 3207 gulden tekort.
­ 5­

-3^
Ktt No /tf ff’l ‘ ^ T ,

-i KANTOOR

Mr. G. P. TER BRAAK,

(^/ ^ EIBERCE N. f^

boven: Burg. G.J. Smits. ‘ EERSTE GROSSE
Hij hielp de linkse be­ mna A K T I VAÜ

weging door aandelen te SCHUl^DBEKENTEfllS
kopen van Ons Huis.
HST
(Coll. J. Sahdperalaus)
HYPOTHEEK.
tan !*««■ van

tan b«ho«v« van

Keottf SVf *U por J»»r ve nwUijuoudo ^Cy ■

öe 71/7 t o t Exploitatie van
boven: Mevr. Ter Braak ­ Vereenigingsgebouwen
Huizinga stelde zich ac­ sloot in 1921 een hypotheek
tief op binnen de partij’. voor 2600 gulden, een groot
(Coll. J. Schaper claus) bedrag in die tijd.
– 6 –

Daarvoor werd een hypotheek opgenomen van 2500 gulden, waar-
voor de directieleden hoofdelijk aansprakelijk waren.
Regelmatig leverde de aflossing van de hoofdsom problemen op
en moest mevrouw Ter Braak vragen om uitstel.
De verenigingen die redelijk bij kas zaten betaalden regelma-
tig iets extra’s. De vakbonden bijvoorbeeld een cent per lid
per maand. Maar zo stelde de vertegenwoordiger van de Bouwvak-
bond in een vergadering in 1929 uitdrukkelijk, dat geldt al-
leen voor werkende leden.
Ook de SDAP, die trouwens ook wel elders in Eibergen bleef
vergaderen, en de toneelvereniging schoven wel eens wat extra
af. Bij de behandeling van het tiende jaarverslag, in 1931,
zegt mevrouw Ter Braak dat de financiële toestand niet zo
rooskleurig is als in de eerste jaren. Zij wanhoopt echter
niet en stelt vast “dat Ons Huis een instelling blijkt te zijn
die door ons gemist zou worden als Ons Huis weer opgeheven zou
worden”.
Ons Huis was niet alleen het gebouw waar de aangesloten orga-
nisaties hun bijeenkomsten hielden, het was ook een ontmoe-
tingsruimte voor de Eibergse arbeiders, die er zondags bijeen
kwamen om te kaarten of te schieten met de windbuks.
Aanvankelijk was het gebouw slechts eens in de veertien dagen
op zondag open, maar al snel wekelijks. In principe stond het
gebouw ook open voor “andersdenkenden”. De gymnastiekvereni-
ging kreeg er onderdak en later ook Euphonia.
De arbeidersvereniging Exelsior was er al vanaf het begin kind
aan huis. Dat men wel degelijk de principes in de gaten hield
bleek in 1933, toen de aandeelhoudersvergadering besloot dat
het gebouw niet mocht worden verhuurd aan de NSB.
De gymnastiekvereniging werd in het begin van de jaren dertig
de deur gewezen. De gymnastiek nam zoveel ruimte in beslag,
dat het gebouw te weinig open was voor andere doeleinden.
Het bestuur wilde aanvankelijk niets weten van het beëindigen
van de huurovereenkomst met de vereniging, maar werd daartoe
in een ledenvergadering gedwongen. H.J. Pelle verwoordde de
gevoelens van de leden: “Het gaat niet aen de vereniging in
Ons Huis te handhaven. Ons Huis is aangekocht door de moderne
arbeidersbeweging en de geheelonthoudersvereniging, maar nu
moeten de ouders hun eigen kinderen naar de cafe’s sturen om-
dat Ons Huis bezet is”.
De financiële verslagen van de vereniging mogen dan voortdu-
rend worden bedreigd door de toch voor de beweging aantrekke-
lijke kleur rood, toch was het niet de lege clubkas die de NV
– 7 –

in 1927 op zijn grondvesten deed trillen. Dat was de zogenaam-
de militaire kwestie, waarover in Eibergen veel gesproken en
gediscussieerd werd.
Het bestuur had medewerking verleend aan het ministerie van
Oorlog om “vooroefenigen” voor militairen in Ons Huis te hou-
den. Landelijk had de Geheelonthoudersvereniging bij de minis-
ter aangedrongen op het houden van die oefeningen in alcohol-
vrije gelegenheden en de minister was op dat verzoek ingegaan.
Zo kwamen de militairen ook in Ons Huis terecht, tot grote
woede van dat deel van de achterban, dat fanatiek anti-milita-
ristisch was.
Mevrouw Ter Braak verdedigde het bestuur in de jaarvergadering.
Zij vond dat Ons Huis een neutraal gebouw was en dat men als
zodanig de militairen niet mocht weigeren. Een hoofdbestuurs-
lid van de Geheelonthoudersvereniging kwam het gebruik zelfs
toelichten. Een aantal leden meende echter, dat militairen
niets in Ons Huis te zoeken hadden, maar anderen zagen wel
voordelen. Jan Pelle bijvoorbeeld, vond dat als onze jongen?
er een kortere diensttijd door kunnen krijgen, laat ze dan
oefenen zoveel ze willen”. Hij zou een ander standpunt in heb-
ben genomen als het een oefening van de Landstorm betrof, zo
voegde hij er aan toe.
De discussie liep zo hoog op, dat commissaris Lantink zijn
functie neerlegde. Hij werd opgevolgd door Pelle, een voorstan-
der van militairen in Ons Huis. Dat de meerderheid van de leden
achter het bestuur stond werd duidelijk uit de bestuursverkie-
zing. Mevrouw Ter Braak haalde daarin de meeste stemmen.
Uiteindelijk werd er maar ééntje “beter” van het militaire
avontuur van Ons Huis, dat was de werkster, die een tientje
gratificatie kreeg “om reden dat het een druk jaar was geweest”.
Ons Huis kwam de oorlog heel slecht door. Het pand was door de
bezetter aardig vernield en van de inventaris was vrijwel niets
meer over. Die slag kwam de NV eigenlijk niet meer te boven.
Bovendien werd het gebouw al snel te klein voor alle activitei-
ten die na de oorlog plaatshadden.
Ook konden partij en vakbond nu ook zonder problemen in andere
lokaliteiten terecht; met name de partij deed dat veelvuldig.
Soms tot ergernis van de leden, maar de partijbesturen waren
vaak van mening dat Ons Huis wellicht een drempel betekende
voor aspirant-leden. Afdelingsvergaderingen werden daarom wel
in Ons Huis gehouden, maar als er een spreker kwam dan trok
men naar één van de plaatselijke zalen.
Er waren toen plannen om Ons Huis over te doen aan het NVV.
– 8-

In 1964 was alles in kannen en kruiken, maar de NVV Gebouwen-
dienst trok zich uiteindelijk terug. In 1972 werd opnieuw het
besluit genomen Ons Huis af te stoten; toen Euphonia zich als
gagadigde meldde stelden de laatste directeuren van de NV zich
soepel op. Hoewel een taxateur de waarde van het pand op ruim
30.000 gulden schatte, kreeg Euphonia het voor 7500 gulden.
“Omdat we het behoud van Ons Huis voor culturele doeleinden
prefereren” aldus voorzitter H. Schaperclaus destijds.
Curieus was eigenlijk wel dat Euphonia met beschermheer Prakke
het rode bolwerk uiteindelijk in bezit kreeg, terwijl Exelsior
in 1983 een clubhuis vestigde in het kantoor van de voormalige
fabriek van de Prakke’s.
Nostalgie is iets dat sociaal-democraten zeer aanspreekt.
Praat met een bejaarde socialist en waar heeft hij het over?
Over prachtige 1-mei vieringen, wapperende banieren en het
zingen van de Internationale. We waarderen sommige zaken voor-
al als ze er niet meer zijn. Dat bleek heel duidelijk toen
Ons Huis als rood-centrum niet meer bestond. Al snel werd me-
dio 1975 het verlangen naar een eiqen clubgebouw groot.

In 19’/6 opende minister Vredeling het Pandje aan de Kerkstraat.
Op de foto verder links G. Wormgoor, Hans Derrix, Henny
Jansen, B. Bartels en echtgenote, Huüb en Gemma Winkelhorst
(Coll. Dagblad Tubantia).
– 9 –

Concrete aanleiding was het “in dienst nemen” van een stagiaire
van de Sociale Academie, die tenslotte toch ook een werkruimte
moest hebben. Die ruimte werd gevonden in ‘t Pandje, net als
Ons Huis gelegen aan de Kerkstraat.
Toen ‘t Pandje een half jaar in gebruik was kwam op 1 mei 1976
Henk Vredeling persoonlijk naar Eibergen om het gebouwtje of-
ficieel te openen. Hij deed dat in gezelschap van ondermeer
burgemeester Cappetti. Voorzitter Henny Jansen zei bij die ge-
legenheid, dat iedereen die aan politiek deed gebruik kon ma-
ken van ‘t Pandje, die hij een grote rol toedacht bij het
streven “op alle niveau’s mensen te willen activeren”.
Opvallend genoeg worstelde ‘t Pandje met hetzelfde probleem
als daarvoor Ons Huis, namelijk de financiën. In de ledenver-
gaderingen werd al snel geklaagd over de hoge huur die voor
het gebouwtje moest worden betaald.
In 1979 werd de huur opgezegd en stierf ‘t Pandje een roemlo-
ze dood.

Eibergen, januari 1987
G. Dijkstra.

BRONNEN EN LITERATUUR:
– G. Di jkstra, 80 Jaar socialisme in Eibergen,
Uitgegeven door de PvdA in Eibergen ter gelegenheid van het
80-jarig bestaan (Groenlo 1985).
– Archief “N.V. tot aankoop en exploitatie van gebouwen en
vergader I oka I en”.
– 10 –

De veldwerkers bijeen. V.l.n.r.: B. Karnebeek, G. te Nijenhuis,
H. Meerdink, B. te Vaarwerk, J.A. Yrieze, mevr. J. Onstein –
Keizers, J. Wennink, A.J. Mellink, E.H. Wesselink, mevr. Maas
(van het P.J. Meertensinstituut te Amsterdam), H.J. te Haa,
H. Landewers (coordinator) en M. te Spenke. (Coll. Dagblad
Tubantia).

Het veldnamenonderzoek is in januari begonnen. Met veel ent-
housiasme en inzet zijn de veldwerkers op pad geqaan in de
eibergse buurtschappen. Wie met wie op pad is en in welke
buurtschap men is begonnen leest u hieronder:
De heren Landewers en Te Spenke zijn begonnen in Eibergen
(het Simmelink).
Mevr. Onstein – Keizers en de heer Vrieze gaan in Olden Ei-
bergen op pad.
De heren Karnebeek en Te Raa proberen de veldnamen in Zuid-
Rekken in kaart te brengen.
De heren Te Nijenhuis en Mellink nemen Noord Rekken voor hun
rekening.
De heren Wennink en Nijman proberen zoveel mogelijk veldnamen
in Mallum op papier te krijgen.
– 11 –

De verdwenen molens van Beltrum:

2. De molen van Groot Zevert te Voor-Beltrum.

De trouwe lezers en lezeressen van ons blad zullen zich her-
inneren dat in het vorige nummer van Old Ni-js een artikel
gewijd was aan de molen van Luttikholt te Avest. Niet ver
van die molen heeft nog een molen gestaan, namelijk die van
Groot Zevert in Voor Beltrum.
Op de hiernaast afgebeelde kadasterkaart ziet u dat de on-
derlinge afstand niet erg groot was. De molen van Groot Ze-
vert is gekocht bij Beusink in Lievelde en in 1884/1885 in
Voor Beltrum weer opgebouwd. Deze Beusink was in het bezit
van twee molens, waarvan de één een oliemolen en de andere
een graanmolen was. Volgens aantekeningen in Lichtenvoorde
is de graanmolen verkocht aan ene Groot Zevert uit Beltrum.
Toen Groot Zevert zijn molen kocht was het nog geen graan-
molen, maar een houtzaagmolen. Een houtzaagmolen is echter
snel te verbouwen tot graanmolen. De indeling en het hout-
werk is gelijk. Men kan het zaaggedeelte er uit halen en er
maalstoelen inzetten. Met nog enkele kleine wijzigingen
heeft men dan een graanmolen.
Beusink had de molen van een vrijgezel. Peter Aversteeg, ge-
kocht die de molen om persoonlijke redenen moest verkopen.
De grond waar de molen op gestaan heeft, heet nu nog Peters-
berg. Op deze plaats staat nu de kerk
Beusink die al in het bezit was van een graanmolen niet ver
van de houtzaagmolen, wilde deze molen meteen te koop aan-
bieden, waarschijnlijk om reden van concurrentie. Hierop re-
ageerde Groot Zevert. Als voorwaarde werd opgenomen dat de
molen meteen gesloopt moest worden. Dit gebeurde en de molen
verhuisde naar Voor Beltrum. Het bouwjaar van deze molen
heb ik niet kunnen achterhalen maar volgens mondelinge over-
levering zal dit rond 1862 geweest kunnen zijn. Misschien
kunnen archiefstukken van de Gemeente Lichtenvoorde hierover
uitkomst brengen.
De molen werd oorspronkelijk gebouwd als een grondzeiler;
een molen zonder belt. Hoe dat functioneerde bij weinig wind
is mij niet bekend, omdat ze normaliter op een kleine belt
moeten staan. In Voor Beltrum werd hij echter wel op een
belt opgebouwd, om toch zo veel mogelijk wind te vangen, en
waarschijnlijk ook uit veiligheidsoverwegingen.
– 12 –

■ 4

/

r^per
l*’-.t.
‘inicl ‘ ‘
.. .^’

h^-^
\

Boven: gedeel te van de kadastral e kaart gemeente Be l trum, uit
1867. uitg. Hugo Suringar te Leeuwarden ( col l ectie auteur ) .

Onder: situatie van de maal derij die omstreeks 1920 in de
plaats kwam van de windkorenmol ev (Gemeentearchief Eihergen).
– 13 –

Bij de molen werd ook een huis gebouwd. Op 1 december 1885
trok Johannes Hermanus Groot Zevert in zijn nieuwe woning,
met als huisnummer K.172. De molen kreeg het nummer K.172a.
Het beroep van Johannes Hermanus was, hoe kan het ook an-
ders: molenaar. Hij was toen 24 jaar oud. Zijn vader die
landbouwer was, was gehuwd met Fenne Maria Ebberink.
Op 8 december 1861 “Zondag ten drie uren, ten zijnern huize
ter wereld heeft gebragt, hetwelk hij verklaart heeft, de
voornamen te willen geven van Johannes Hermanus”, aldus de
geboorteakte. Op 15 jarige leeftijd werd Johannes Hermanus
al te werk cq. in de leer genomen bij de familie Porskamp
te Beltrum. Deze Porskamp, eigenaar van de molen “den Ticker’
in Beltrum, leerde hem het molenaarsvak. Hij was niet de
enige, ook zijn broer Antonius werkte daar. Antonius, gebo-
ren op 20 november 1857 werd in 1873 bij Porskamp als knecht
te werk gesteld. Op 30 april 1877 vertrok hij naar Proos
nabij Emmerich in Pruissen. Johannes Hermanus bleef tot 1885
bij Porskamp. Hij huwde de acht jaar jongere Maria Jacoba
Kroekenstoel, geboren op 17 augustus 1869 te Groenlo.
Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren.
1. Gradus Antonius geb. 29-3-1894
2. Johanna Maria geb. 12-4-1898
3. Gradus Johannus geb. 12-4-1900
4. Henricus Josephus geb. 14-3-1902
5. Aleida Johanna geb. 17-4-1906
Toen de eerste twee kinderen geboren waren kwam vader bij
hen inwonen, waarschijnlijk was moeder toen reeds overleden.
Ook zijn zuster Johanna Maria (geb. 30-3- 1864) kwam bij hen
inwonen. Opvallend is dat er van de familie Porskamp, waar
hij in de kost was geweest, een zoon, als knecht in 1905 bij
hem in dienst werd genomen. Al eerder, namelijk in 1900 had
hij een knecht uit Lichtenvoorde, genaamd Johannes Klein
Goldewijk, geboren 5 februari 1879. Deze vertrok in augustus
1905 en werd door Hendrikus Porskamp op 4 november 1905 opge-
volgd. De oudste zoon van Johannes Hermanus Groot Zevert,
Gradus Antonius werd molenaar, Gradus Johannes werd landbou-
wer op de boerderij met in die dagen een paar varkens, kal-
veren, koeien en wat kippen op het erf.
Wanneer we nu terug kijken naar Antonius, de broer van Johan-
nes Hermanus, die oorspronkelijk ook op de molen van Porskamo
werkte en daarna vertrok naar Proos nabij Emmerich, dan zien
we dat deze terugkeert naar zijn geboortestreek en zich ves-
tigt in de buurt van de molen.
– 14 –

Hij begint voor zichzelf met een bakkerij. De oprichter van
het nu nog bekende “Half-weg”, aan de Grolseweg 18. Later
nam een derde broer. Dirk het van hem over.
Vroeger was het gebruikelijk dat zich bij een molen en mul-
dershuis, zich graag een bakker annex herbergier en winke-
lier vestigde. Vaak was het familie van de molenaar. Op deze
plaatsen kwamen veel mensen bij elkaar zodat er veel bedrij-
vigheid heerste. Men hoorde dan ook meteen het laatste nieuws
wat in die tijd zonder kranten erg belangrijk was.

De molen waarop gemalen werd was een achtkante beltmolen. In
vergelijking met de molen van Luttikholt, was deze wat groter,
maar in vergelijking met de molen van Porskamp ,”den Ticker”,
in Beltrum wat kleiner. Wat de wind betreft was het voor de
molen iets gunstiger, gezien de vrije ligging. Daardoor kon
de molen eerder van de wind profiteren dan de andere beide
molens. Antoon Groot Zevert, kleinzoon van Johannes Hermanus,
kan zich dit nog goed herinneren. Zelfs de molen te Groenlo,
de “Molenberg”, had daar moeilijkheden mee. De kerktoren hin-
derde daar vreselijk. Als de molen draaide kwamen de boeren
en lieten hun graan malen.
Antoon herinnert zich nog dat vroeger zijn oom Tonie (Gerar-
dus Antonius) eens te dicht bij de wieken had gestaan en ge-
grepen zou zijn. Vervolgens zich vastklemmend aan een wiek
een ronde meegedraaid had. Antoon veronderstelt bij het ho-
ren van het gebeurde dat de wiek niet over het “dooie punt”
gekomen zou zijn als de mens niet een handje geholpen had.
Op de foto van de molen, ziet u naast de molen een opslag-
pakruimte. Dit was voor de molen natuurlijk van groot belang.
Graan en meel konden er opgeslagen worden, bijvoorbeeld in
tijden dat er te weinig wind was om te malen. U ziet ook het
muldershuis, destijds waarschijnlijk gelijk gebouwd met de
molen. Dat dit een kostbare zaak was is goed voor te stellen.
Voor ongeveer ƒ 700,- kon men in die dagen een molen laten
bouwen. Men was daar dan zo’n 500 werkdagen mee bezig.
Toch zal het voor Johannes Groot Zevert aantrekkelijker zijn
geweest de molen van Beusink te kopen en te verplaatsen, dan
een nieuwe te laten bouwen. Bij zijn woning had hij een klei-
ne ruimte voor wat vee, zijn vader en broer verzorgden het
vee, waar men natuurlijk nog wat mee kon verdienen en
wat men zelf had hoefde men niet te kopen. In die tijd was er
veel ruilhandel. Voor een varken kon men een bepaalde hoe-
veelheid graan laten malen. Ook werd er wel een deel van het
meel als loon behouden.
– 15 –

boven: het echtpaar Joh. Hermanus Groot Zevert en Maria Jaao-
ha Kr o ekens to el, geportretteerd rond 1920 (Coll. A. Groot
Zevert).

Bovenstaande foto dateert uit het begin oan deze eeuw. V.l.n.
r.: bij het hek Hendrik Saharenborg (kleermaker), Gradus An-
tonius Groot Zevert, Tone Spilman (landbouwer), Johannes Her-
manus en Gradus Johannes Groot Zevert. (Coll. A. Groot Zevert) ~
– 16 –

Als u dan weer denkt aan de bakker in de buurt die óók nog
familie is dan begrijpt u de rest. Er werd zeer fijn meel
gemalen. Dit deed men met natuurstenen maalstenen die een
brede kerf hadden.
Er waren twee koppels maalstenen die een diameter hadden
van 140 cm. en een dikte van 40 cm. Een koppel bestaat uit
een ligger en een loper. De loper draait steeds over de
ligger waartussen het graan wordt gemalen. Als zo’n loper
minder dan twee ton gaat wegen ( dat zal gebeuren door
slijtage), is hij alleen nog maar geschikt als ligger.
Toen in 1927 de molen van Luttikholt door een cycloon werd
verwoest en niet meer opgebouwd, werden de molenstenen over-
gedragen aan Groot Zevert.
Antoon Luttikholt weet nog te vertellen dat echter één lo-
per naar de smederij van Verheijen te Borculo is gegaan.
Deze werd daar in de vloer gelegd en kreeg zijn dienst bij
het beslaan van paarden, etc. De stenen werden omringd met
metalen banden, de loper kreeg 3 banden en de ligger twee,
want het gevaar bestond dat zo’n steen kon “springen”.
Vandaar ook, dat de molensteen bij smederij Verheijen in
de Steenstraat in de vloer werd gelegd. Toen veel molens
overbodig waren en onder slopershanden kwamen, werden vaak
molenstenen los in de woning gelegd om op te stoken ( open
haard), maar later werd dit verboden.
De stenen, meestal van Frans natuursteen, waren heel hard
en maalden beter dan de kunststenen maar konden wel kapot
springen bij een te hoge temperatuur. Het billen of scher-
pen van stenen werd met de hand gedaan. Antoon Groot Zevert
kan zich herinneren dat zeer kleine splintertjes zelfs in
de hand kwamen. Later gebeurde dit billen electrisch. Goed
gebilde molenstenen zorgden ervoor dat het meel niet te
heet werd.
De belt waarop de molen stond had een zodanige hoogte, dat
men er met paard en wagen geheel onder door kon rijden. Dit
was vooral in de oorlog gemakkelijk, men kon dan niet zien
dat men daar was. De eerste 2,50 meter van de molen was van
steen, de opbouw of romp van houtwerk en bedekt met riet.
Een achtkante beltmolen zoals deze was altijd wat groter
dan één met een stenen romp. Deze moet dan ook op de eerste
verdieping een doorsnede van 7,50 m hebben gehad. De muren
waren ook niet zo dik als die van een stenen molen. Men
noemde deze muurtjes ook wel “veldmuurtjes”.
Dat er vroeger wel eens weinig wind was is duidelijk. Men
kon dan niet malen en dat betekende geen inkomsten.
– 17 –

Zo omstreeks 1920 ging men eens informeren en kocht men een
ruwoliemotor, een 1 cylinder dieselmotor van het merk “Phil-
ding en Platter”. De molen werd afgebroken, de as die zo’n
3000 kg gewogen zal hebben zal als oud ijzer verkocht zijn
en het houtwerk opgestookt.
Hiervoor in de plaats kwam een nieuwe maalderij met er naast
een lange schoorsteen voor de afvoer van de stoom. Mensen
uit de omgeving gingen al praten over “wie gaot naor den
stoom”, als ze naar de maalderij van Groot Zevert gingen.
Antoon Groot Zevert vertelde mij ook nog dat zijn grootvader
Johannes Hermanus, niet zo veel vertrouwen in de nieuwe maal-
derij had. Hij vond dat het graan ‘dood’ ging. Het zou de
smaak ook niet ten goede komen.
Ook in de oorlog ’40-’45 werd er gemalen. Men kreeg toen bil-
jetten voor het laten malen van graan. Vaak werd er twee keer
op hetzelfde biljet gemalen, die werd dan zonder afgescheurd
weer meegegeven. Zijn vader is zelfs eens opgepakt voor klan-
destien malen.
In 1966 is ook deze maalderij gesloten. Ruim tachtig jaar is
er gemalen in Voor Beltrum. Veel familieleden konden in de
opbrengsten een bestaan vinden. Langzaam is ook deze maalde-
rij naar een rustpunt gegroeid en heeft dat in augustus 1966
ook gevonden.

Beltrum, januari 1987.
Mevr. M. Verheijen- KI. Gebbinck.
BRONNEN EN LITERATUUR:
– Mondelinge gegevens van Antoon Groot Zevert te Beltrum,
Antoon Luttikholt te Groenio, dhr. Beusink te Lievelde en
van dhr. Klaasen te Zelhem (molenaar Benningmolen).
– Oud-Archief gemeente Eibergen: burgerlijke stand en bouw-
vergunn i ngenarch ief.
– Gelders Molenboek.
– 18 –

Technische gegevens: Molen van Groot Zevert

type / soort windkorenmolen.
ligging Voor-Beltrum, aan de Grolseweg (vroeger
grindweg Beltrum-Groenlo) ter hoogte van
Frankweg.
bouwjaar ca. 1863 als houtzaagmolen te Lievelde
en 1883 als graanmolen te Voor-Beltrum.
eigenaren Peter Aversteeg tot 1880
Johannes Hendrikus Beusink tot 1882
Johannes Hermanus Groot Zevert tot 1925
Gradus Antonius (molenaar)/ Gradus Johannes
(landbouwer) tot 1929
Gradus Johannes Groot Zevert tot 1955
Thomas Antonius Groot Zevert tot 1966.
molenaars zie eigenaren.
belthoogte 2,50 m.
romp stenen achtkante romp, met riet gedekt,
tot 1883 gedekt met dakleer (^asfalt)
wiekenkruis houten roeden.
vlucht 23 meter.
staart hout
as gietijzer; lengte 5 m.
vang trommel vang
begane grond hoogte 3,15 m.,diameter 7,90 m.
Ie verdieping hoogte 3 m.,meelzolder.
2e verdieping maalzolder; diameter ca.5,60 m, steenzolder.
hoogte hart kammen spoorwiel 3,60 m.
2 koppel 16e natuurstenen
sleepluiwerk
3e verdieping kapzolder
hoogte bovenkant kruiring 1,15 m.
neuten kruiwerk ashoogte 2,80 m.
– 19 –

Boven: doorsnede van de moLen, tek: auteur.

overbrengingen aantal kammen aswiel 51
aantal kammen bonkelaar 28 met een steek 12 cm.
aantal kammen spoorwiel 80
aantal staven rondsel 24 met een steek 10 cm.
verhouding 1:6,2
De molen is in 1920 vervangen door een malerij aangedreven
door een dieselmotor. ( een zogenaamde stoommalerij ).
– 20 –

Grensperikelen in Rekken

Helemaal aan het eind van de Huttendijk in Rekken wonen
Herman en Trui Karnebeek. De Rekkenaren zullen hen veel beter
kennen als Herman en Trui van de Hutte. De geschiedenis van
dit huis en zijn bewoners is nauw verbonden met de rijks-
grens die pal langs de boerderij loopt. Het is dan ook geen
wonder, dat de welbespraakte Herman en Trui Karnebeek veel
weten te vertellen over het wel en wee van het leven aan de
grens.
Als “Huttenplaatse” wordt de boerderij van de familie Karne-
beek in 19e eeuwse papieren genoemd. De boerderij is in het
begin van de 19e eeuw gebouwd en was eigendom van de marke
van Rekken. De naam “hutte” duidt nog op die tijd. Als iemand
zich op de markegrond wilde vestigen moest hij heel snel een
huis bouwen. Vóór het aanbreken van de dageraad moest er rook
uit de schoorsteen komen, anders ging de pret niet door. Zo’n
huis kon dus niet veel aanzien hebben, vandaar de benaming
“hut”.
In later tijden, toen de boerderij eenmaal eigendom van de
familie was, werd er een stevig boerderijtje getimmerd. Er
werd ook een “schöppe” bij gebouwd, maar deze kwam op Duits
grondgebied te staan.
Herman Karnebeek benutte deze “schöppe” om er varkens in te
houden, want die brachten in Duitsland veel meer op dan in
Nederland. Hierdoor hoefde hij niet bang te zijn voor aller-
lei moeilijke uitvoerregels.
Herman kon door de bijzondere situering van de bedrijfsge-
bouwen zijn handel inrichten al naar gelang het hem uitkwam.
Diezelfde schuur gebruikte hij ook om er de in Duitsland ge-
kochte kunstmest in op te slaan. Kunstmest was daar namelijk
goedkoper. Zonder problemen kon hij die op zijn in Rekken ge-
legen grond strooien, want eenmaal uit de zak kon niemand
meer bewijzen waar die kunstmest vandaan kwam.
De situering van het bedrijf en de daaruit voortvloeiende
mogelijkheden voor ‘internationale handel’ hebben Herman
Karnebeek geen windeieren gelegd, getuige zijn uitspraak:
Zo’n zuuver geweten mo’j der neet op nao hol In, anders kom
ie nargens”.
De “schöppe” is al lang weg, maar de Karnebeeks moeten nog
steeds over de grens als bijvoorbeeld Trui de was buiten wil
hangen.
hun hoevdeviQ aan de Huttendiok te Eekken. De foto is vanaf
DiAZbs grondgebied genomen (Coll. Schlusemann).

Maar niet alles was in Duitsland voordeliger. Herman herin-
nert zich, dat de Hollandse tabak veel goedkoper was. Ook
dat bracht voor de grensbewoner enige voordelen met zich mee.
Herman legde thuis een kleine voorraad aan van die Hollandse
tabak die werd verkocht aan Duitsers. Een steevaste klant
van hem was Boskers Hein, die bij de familie Karnebeek zijn
tabaksdoos kwam volstoppen. Boskers Hein was een nogal zeur-
derige man, aldus Herman, en erg ‘politiek’ bezig. Dat laat-
ste ontlokt Herman de uitspraak: “Wee-t-er ‘t meeste aover
pröt, hef ter ‘t minste vestand van”.
De grens is tegenwoordig niet meer van zoveel betekenis als
vroeger. Op de fiets of wandelend kan iedereen bij Karnebeek
de grens over. De grens wordt er gemarkeerd door een slag-
boom en een aantal grenspalen. De paal op de hoek van de
boerderij draagt het nummer 822 A en werd in 1766 geplaatst.
Tot lang na de Tweede Wereldoorlog echter, waren contacten
met de Duitse buurman moeilijk. In 1954 moest Herman nog via
de grensovergang bij Oldenkotte naar zijn Duitse buurman om
– 22 –

daar een begrafenis bij te wonen. In de jaren na de oorlog
waren het vooral de Nederlanders die de grens gesloten hiel-
den. Hij kreeg van de kommiezen geen toestemming om de grens
naast het huis te passeren.
Uit die jaren dateert ook het volgende verhaaltje: Na de oor-
log had je een tijdje Engelse kommiezen (het Munsterland was
een onderdeel van de Engelse bezettingszone). Op een gegeven
moment kwam er ook zo eentje bij Herman Karnebeek en vroeg
hem, hoe het toch kwam dat zijn hond zo geel was? Herman ant-
woordde, dat dat kwam omdat hij zojuist de rogge gespuit had.
De jaren tussen de beide wereldoorlogen boden wat het grens-
verkeer betreft een heel geschakeerd beeld. Het jaar 1930
was een hoogtepunt. Toen waren de grensformaliteiten het
meest liberaal. Volgens Herman Karnebeek is het peil van toen
thans nog niet weer opnieuw bereikt.
In 1933 veranderde dat allemaal toen Hitler aan de macht kwam.
Eerst werd aan Duitse zijde het aantal douaniers fors uitge-
breid (in Oldenkotte van 4 naar circa 25), later kwam er een
afrastering. Ook werd de Duitse wetgeving aangescherpt, zo
ook voor de import van vee. En zo kon het op een kwade dag
gebeuren, dat een paar kippen van de familie Karnebeek een
uitstapje durfden te maken naar de andere kant van de grens.
Zij werden echter betrapt door een Duitse kommies, wat overi-
gens geen wonder hoefde te heten omdat er elk half uur wel
een kommies voorbij kwam. Herman Karnebeek moest toen in
Vreden op het politiebureau verschijnen. Daar toonde men wel
begrip voor de situatie, maar de kommiezen gingen niet ak-
koord. Het uitstapje van de kippen eindigde met een boete
van 30 marken voor Herman Karnebeek.
Maar die kippen bezorgden hem ook van Nederlandse zijde pro-
blemen. Op een gegeven moment kreeg Herman ‘bezoek’ van de
controleurs. Deze bemerkten, dat Herman meer kippen hield
dan was opgegeven. Wijzend op een aantal kippen die op zijn
erf rondliepen, vroegen ze Herman, of die kippen ook van hem
waren? Herman antwoordde: “Nae, an den groten bek kö’j toch
wal zeen dat ‘t Pruussen bunt”.
De Eerste Wereldoorlog moet een waar paradijs geweest zijn
voor smokkelaars. Als kind heeft Herman met grote belangstel-
ling geluisterd naar de smokkelverhalen. Maar “geleuven ko’j
dat neet allemaole” en “de hoge heern smokkeln ‘t meest”.
– 23 –

Herman Karnebeek zocht het meer in de kleine zaken en kon
profiteren van de bijzondere ligging van zijn bedrijfsgebou-
wen, zonder dat een of andere kommies daar wat aan kon doen.
Als je zo dicht bij de grens woont zijn grote veranderingen
aan gene zijde snel merkbaar. Heel levendig herinnert zich
Herman de avond van de 9e mei 1940. ‘s Avonds om 23.00 uur
hoorde hij heel hoog een vliegtuig brommen. Voor Herman
stond op dat moment vast, dat dat vliegtuig het begin van
de Duitse aanval op Nederland markeerde.
De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog betekenden een tijde-
lijke verslechtering van de relaties met de Duitse buren. Na
de oorlog werden de gronden van Duitse boeren in Nederland
onteigend. Ook Herman Karnebeek kreeg daarin een aandeel,
maar in 1956 verkocht hij die grond weer aan de voormalige
Duitse eigenaar om de relaties met de Duitse buren niet ver-
der te verslechten. Maar de meeste boeren hebben de voorma-
lige Duitse gronden gehouden.
Daaruit blijkt maar weer eens, hoe zeer Herman en Trui Karne-
beek goede relaties met hun Duitse buren op prijs stellen.

Rekken, januari 1987
G. te Nijenhuis
B. te Vaarwerk.
– 24 –

Brieven van landverhuizers

4. “The Boevink – History”.
In 1880 vertrok Frederik Jan Boevink voorgoed uit Eibergen.
Weggebracht op een boerenkar door zijn broer Arend naar een
spoorstation op 50 km afstand, aanvaardde hij met als ballast
een paar zware dichtgenagelde koffers de reis naar Amerika,
op zoek naar een nieuw vaderland.
In 1881 werd hij gevolgd door zijn jongere broer Hendrik Jan.
Via bewaard gebleven brieven hebben we flarden van hun levens-
loop kunnen volgen: twee eibergse jonge mannen, die zich voeg-
den in de stroom van de miljoenen landverhuizers, eerst hoofd-
zakelijk afkomstig uit Europa, maar allengs gevolgd door immi-
granten uit alle delen van de wereld.
Ze verlieten hun land om verschillende redenen: vervolging om
hun geloof, armoede, honger (zoals de Ieren), om politieke re-
denen of landhonger, zoals Frederik Jan.
Ze gingen naar Amerika, omdat dat land voor hen een droom be-
tekende, een droom van vrijheid en kansen voor iedereen, want
rangen of standen kende het nieuwe land niet. Amerika werd
eigenlijk een natie van immigranten, een afspiegeling van de
wereldbevolking. Amerikanen zijn geen ras in biologische zin;
toch is Amerika een land geworden met een heel sterk nationaal
besef.
Vanuit de ons ten dienste staande gegevens over de familie-
historie willen we trachten na te gaan, of, en hoe de Boevinks
in 100 jaar tijds Amerikanen werden, en waar we ze terugvinden
in die unieke samenleving, die Amerika is.
Door het huwelijk van Frederik Jan op 23 mei 1883 met Diena
Christiaanse, die van 1874-1881 getrouwd was geweest met
Marinus Bouwens, raakte de familie Boevink geparenteerd aan de
families Bouwens en Christiaanse.
Van de familie Bouwens weten we weinig meer dan dat het Zeeu-
wen waren, van de familie Christiaanse zijn ons enkele lotge-
vallen overgeleverd, die we niet onvermeld willen laten, omdat
ze het beeld van een immigrantenbestaan helpen verduidelijken.

Naar Nebraska.
In de jaren zestig vond de aanleg van de enorm lange transat-
lantische spoorlijn plaats met zijn vertakkingen, waardoor de
Midwest (Kansas, Nebraska, Dakota, Iowa) ontsloten werd.
– 25 –

Omstreeks 1880 kwam de grote trek van boeren naar deze nieuwe
staten op gang. Door de aanwezigheid van spoorwegen immers werd
het vervoer van landbouw- en veeteeltproducten over lange af-
stand mogelijk en zodoende weer de export.
Hoe nieuw dit land was, en hoe wezenlijk voor dit land de spoor-
wegen door de konolisten werd ervaren, blijkt o.a. uit een brief
van Hendrik Jan uit 1883:

“Al hetgeen ik van Nebraska heb geschreven^ is waarheid,
ik heb u vroeger reeds geschreven, dat er sprake is ge-
weest om in onze buurt een Hollandsahe kerk te bouwen,
en nu kan ik u melden, dat hier een winkelier zich gaat
vestigen uit Holland, een minuut of 7 van ons af en een
hoefsmid op dezelfde plaats, welke uit Michigan zal ko-
men. ( Holland was een door Nederlanders reeds gestichtte
nederzetting in Nebraska. EHW) de winkel is in aanbouw
en dat gaat hier vlug om een huis of kerk te -bouwen,
twee timmerlieden zign er vier dagen aan bezig geweest
en als ze nog een week werken, is het hele gebouw klaar.
Voor een paar jaar was hier nog geen enkele Hollander,
en nu wordt het al rondom door Hollanders ingenomen met
prairie (= weiland) en bebouwde plaatsen.
En er is ook sprake geweest van een spoorweg van Nebraska
City naar Crate, en dan is het hier juist in de richting
gelegen en als hier kerk en winkel was, kregen wij hier
zeker een station, dat nu nog i% uur van hier is in Firth.
Buiten die spoorweg is het hier toch een schoon gelegen
punt voor farmers, zoodat ik diegene, die bij u op een
gehuurde plaats zit en hard moet tobben om gelijk te
blijven, en ik weet, zoo zijn er vele, maar beter doet
om uit te verkoopen en gaat hier naar toe”.

De spoorweg is er wel gekomen, want drie jaar later, in 1886
schreef Frederik Jan:

“Er wordt hier in Nebraska ook nog een nieuwe spoorweg
aangelegd, die loopt van het Oosten naar het Vesten en
komt maar 3 mijlen hier vandaan waar ook het station
komt. Zoo is mijn plaats (hij bedoelt zijn huis met lan-
derijen EHW )_, op een zeer korten afstand van het station,
zoodat ik wel tweemaal in een halven dag daar naar toe
kan gaan”.
– 26 –

Abraham Christiaanse en zijn vrouw Catharina Vogel waren
Zeeuwen van geboorte. Ze hadden 5 kinderen, 2 jongens:
Cornelius en John en 3 meisjes: Mary, Diena en Minnie.
Mary en Diena waren al in Michigan getrouwd met resp. An-
thony en Martin (Marinus) Bouwens, twee broers. Waarschijn-
lijk zijn zowel de familie Bouwens als Christiaanse zo on-
geveer gelijktijdig met al hun kinderen uit Ottawa in
Michigan opgebroken, om hun geluk als boeren in Nebraska
te beproeven. Abraham Christiaanse moet een energiek man
zijn geweest. Hij en zijn vrouw waren allebei analphabeet,
op officiële stukken, zoals een bewaard gebleven testament,
staat onder hun naam een kruisje (X). Het had hen niet ver-
hinderd om naar Amerika te emigreren. Daarnaast dwingt het
bewondering af, dat hij op 60-jarige leeftijd de moed had
om de 1000 km lange reis van Michigan naar Nebraska te on-
dernemen om daar een nieuw bestaan als boer te beginnen.
Ze streken neer in de buurt van het plaatsje Holland, waar
reeds Nederlanders woonden, die hen op weg konden helpen
in de nieuwe omgeving. De nabijheid van landgenoten verlaag-
de de taalbarriëre. Het waren niet alleen Nederlanders, die
zo te werk gingen, de Duitsers deden bij voorkeur net zo,
getuige plaatsnamen als Bismarck in Dakota.
Van een spoorwegmaatschappij kocht hij in 1882 een stuk
grond ter grootte van 80 acre (= 32 ha.) in de buurt van
Panama, Nebraska. Het zetten van een huis was geen lang-
durig karwei, zoals we weten uit de brief van Hendrik Jan,
de huizen waren van hout en van eenvoudig kaliber.
Onbekendheid met de situatie had tot gevolg, dat het huis
op een te laag gelegen stuk grond werd gezet. Er was een
riviertje in de buurt. Op zichzelf erg gunstig, want water
was één van de eerste behoeften voor mens, dier en plant.
Ook Frederik Jan zou zich wat later daar in de buurt ves-
tigen op lage grond. Hij schreef daarover in een brief van
14 juni 1885:
“Ik heb nogal veel lage landeTiQen en die zijn van dit
voorjaar een beetje teveel getijstert van de vele regen
die wij hier gehad hebben en voor een week geleden is
het riviertje dat door ons land loopt nog overstroomt
en heeft nogal wat sahade aan het oom (=mais) toege-
bracht.

Hij geeft dan ons tevens nog een indruk van de aard van zijn
bedrijf; als hij vervolgt:
­ 27 ­

“met het aanfokken van jonge varkens is het redelijk
goed gegaan^ wij hebben nog ruim 60 jongen in getal

Koeijen en kalveren hebben wij er nu zoowat zooveel ■
als gij er gewoon zijt te houden toen ik nog bij u
was, maar zulke goede melkkoeijen als gij hebt, heb­
ben wij niet; ik zou nog wel graag een stuk of wat
Hollandsahe melkkoeijen willen hebben, want dat zou
goed wezen voor het aanvoeren van jonge varkens (daar
lag dus het accent op. EHW ). Als gij met mij wilt
ruilen voor een wagon graan, dat zou ik wel willen
doen, 1 wagon heb ik van de winter verkocht en 1 heb
ik vervoerd { dus aan de varkens. EHW) en 1 heb ik
er nog zitten”.

Of de transactie met Herman en Arend in Eibergen heeft plaats
gevonden meldt de historie niet.
Ondertussen stond het huis van de familie Christiaanse zo on­
gunstig, dat ze herhaaldelijk te lijden hadden van waterover­
last; zo erg waren de overstromingen, dat men de trap op­
vluchtte om droog te blijven, tot het water weer was gezakt.
Althans, zo werd het verteld door Jane Doeschot­Boevink, de
enige nog in leven zijnde dochter van Frederik Jan, die zich
deze voorvallen uit haar kinderjaren wist te herinneren. De
familie Christiaanse heeft tenslotte haar huis verplaatst
heuvelopwaarts, waar het geen last van overstromingen kon
krijgen.
Abraham Christiaanse overleed in 1891, 71 jaar oud. Op de
“plaats” rustte een hyphotheek, waarvan zijn vrouw, die inmid­
dels ook 71 jaar oud was, de rentelasten niet meer kon opbren­
gen. De farm werd toen “onder de hamer gebracht”, officieel
door de sheriff geveild. De opbrengst was $ 4525.
De hoogste bieder was een zekere Frank Boevink. Achter deze
naam bleek Frederik Jan schuil te gaan, die dus onder “valse”
naam eigenaar werd van de farm van zijn schoonvader.
Waarschijnlijk was het kiezen van een valse naam een truc om
de concurrentie te misleiden. Deze gang van zaken bewijst nog
weer eens, dat Frederik Jan een man van karakter was, op wie
men een beroep kon doen, die zorgzaam was voor hen, voor wie
hij verantwoordelijkheid op zich genomen had en dat hij onder­
nemingsdurf had. Want geld om de plaats van zijn schoonvader
te kopen had hij niet.
– 28 –

Pas in 1889 hadden hij en Diena een stuk land gekocht, groot
160 acre (= 60 ha.) voor $1200. In verhouding tot wat hij
betaalde voor de farm van Diena’s vader, was dit enorm goed-
koop. Wel was er iets met dit stuk land, want het was voor-
dien al vijf keer van eigenaar verwisseld. De voorlaatste
had er in 1883 een bedrag van $ 2000 voor neergeteld. Om de
nieuwe aankoop te kunnen financieren, moest er een hypotheek
gesloten worden. Aflossing en rente nam Frederik Jan verschei-
dene jaren voor zijn rekening. Bij monde van Merna Meyer- de
Roe constateert de familie met respect, hoe fred, zoals hij
genoemd werd in de familie, op deze wijze voor zijn schoon-
moeder zorgde, die hij voor de rest van zijn levensjaren bij
zich in huis nam. Ze overleefde hem met 5 jaar, want ze stierf
in 1910 op bijna 90-jarige leeftijd.

Amerikanisering.
Amerikaan worden betekende: je aanpassen. Niet blijven hangen
aan je verleden. Een nieuwe identiteit verwerven. Voornamen
werden dan ook al heel gauw verengelst. De kinderen van Fre-
derik Jan en Diena kregen verengelste neder!andse namen.
Hendrik werd Henry, Kaatje (van Catharina) werd Katy, Janna
werd Jane. Namen als Diena en Minie hoefden nauwelijks te
veranderen, die klonken al engels.
Ook achternamen werden in Amerika veelvuldig gewijzigd: Smit
werd Smith, Mulder werd Miller enzovoort.
Maar wat te doen met een naam als Christiaanse? Daar is geen
Engels van te maken. Dat maakt het misschien verklaarbaar,
dat nazaten van Jan Christiaanse ( John), de naam Johnson
( Janszoon) hebben aangenomen naar oud-nederlandse trant.
Deze naamsverandering verklaart misschien, waarom Merna Meijer
te weten kon komen over de huidige verblijfplaatsen van de
nakomelingen van de familie Christiaanse, waarvan er enkele
in Austin in Texas terecht zijn gekomen.

Boevinkloten.
Diena Christiaanse was op 31 december 1874 getrouwd met Mar-
tin Bouwens. Uit dat huwelijk waren 4 kinderen geboren. De
trouwakte uit Ottawa, Michigan, is bewaard gebleven, evenals
de bijbelbladzijde, waarop Martin naar oud-nederlands gebruik
en in het neder!ands, de namen van zijn kinderen heeft inge-
schreven, evenals het overlijden van zijn moeder op 22 decem-
ber 1879. Martin Bouwens overleed al in 1881, slechts 28 jaar
oud aan longontstekeng, in die tijd een nauwelijks te door-
stane ziekte vanwege de hoge koortsen.
– 29 –

L . ‘ , , L van Manhattan. Het dien-
de als immigratiecentrum in de jaren 1855 – 1892 (Museum of
the City of New York).

boven: de huidige boerderij van de Boevinks in Nebraska. Hei
landschap toont overeenkomsten met dat van het land Van her-
komst van de Boevinks (Coll. auteur).
– 30 –

Zijn jonge vrouw bleef achter met twee van de vier nog in le-
ven zijnde kindertjes, Cornel is en Abraham ( roepnaam Abe ) .
Gelukkig vond ze na twee jaar een nieuwe echtgenoot in de
persoon van Frederik Jan Boevink, die omstreeks 1881 samen
met zijn broer Hendrik Jan ook in Nebraska was neergestreken
na een korte zwerftocht door Kansas, dat hem niet lokte.
Frederik Jan was nog vrijgezel, want Hendrik Jan had geen
meid meegebracht uit Eibergen, waarom hij in zijn brief had
gevraagd. Diena schonk Fred zeven kinderen, vier jongens en
drie meisjes. Ze is heel oud geworden. Ze overleefde haar man
dertig jaar, want ze stierf, 81 jaar oud in 1935 aan maagkan-
ker. Ze bracht de laatste jaren waarschijnlijk door bij haar
dochter Jane in Firth.
Haar nakomelingschap bestond toen, behalve uit 2+7 kinderen,
uit 14 kleinkinderen Bouwens en 12 achterkleinkinderen, en
uit 13 kleinkinderen van de Boevinkskant.

Taalproblemen.
Bij alle vrijheid en verscheidenheid, die Amerika kenmerkte,
heeft het land nooit meer dan één officiële voertaal gekend.
Wat men thuis sprak, ging niemand wat aan. Maar voor het
maatschappelijk welslagen was en is beheersing van de Engelse
taal een dwingende eis. Alle immigranten waren zich daarvan
terdege bewust, ook Fred Boevink. Maar, wat was het moeilijkl
In 1881 schreef hij, toen de familie hem zijn broer wilde na-
zenden:
“Ik zou van har be wenaahen, dat veete jeugdige perso-
nen voor wie haast geen plaats is bij u, zioh opmaak-
ten om naar Amerika te komen, omdat in de Unibet States
nog zooveel goede grond onbebouwd ligt (en de lege
uitgestrektheid van Nebraska had hij toen nog niet
eens gezien. EHW )j die anders van tijd tot tijd door
andere natiën wordb ingenomen, maar daar zijn moei-
lijkheden aan verbonden. In de eerste plaats kan men
de Engelsahe taal niets beter verstaan dan het Hebreeuws
en door oude Mensahen moeilijk is om te leeren en voor
jonge lieden veel inspaaning kost”.

Een half jaar later schreef hij in een brief aan Berend Blank-
voort o.a.:
“De dagloonen zijn hier ontzettend hoog in America,
vooral voor timmerlieden, Z dollar per dag is niets
bijzonders, maar dan moet de Engelsahe taal verstaan
– 31 –

worden^ maar het ia nogal moeijetijk om die te
leeren en iemand die de Engetsohe taal niet verstaat,
voornamelijk een ambaohtsman ( die met allerlei men-
sen moest kunnen omgaan in tegenstelling tot een
boer EHW ), is nog geen half geld waard.”

Desondanks doet hij in diezelfde brief een oproep tot de jon-
gelui in Rekken, en dat getuigt weer van zijn ondernemingslust
die de landverhuizer kenmerkt:

“Overigens kan ik niet klagen, ik heb van dit jaar nog
meer geld gemaakt als een jaar tevooren, maar, ik zou
nog wel graag een goeden knecht hebben, zooals er bij
u genoeg zijn, en die heb ik ook goed noodig, als gij
er nog één weet, stuurt er mij maar één over, ik zal
hem werk geven of teergeld waarom komt
er is geen van de jongens van de familie uit Rekken
naar hier over kijken want die bennen toch misschien
nog meest allemaal thuis, dat reizen betekent niets
meer tegenwoordig voor een losloopend persoon en dan
kunnen zij de wereld is leeren kennen”.

Het Nederlands nam in Amerika een wat bevoordeelde positie in,
omdat het aanvankelijk de taal was van de gezeten handeldrij-
vende elite en in Amerika was “business” in hoog aanzien. We
mogen aannemen, dat de voertaal bij de Boevinks evenals bij
de Bouwens thuis, jarenlang het Nederlands is gebleven. Mees-
tal was het zo bij immigranten, dat de moedertaal bij de twee-
de generatie geen rol meer speelde.
Dat de kinderen van Fred Boevink het Nederlands machtig waren,
blijkt uit een brief, die Jane Doeschot- Boevink in 1938 naar
de familie in Eibergen schreef. Haar moeder, die misschien
nooit echt Engels geleerd had, een huisvrouw nam geen deel aan
het openbare leven, was toen nog maar 3 jaar dood en zelf was
ze toen al 49 jaar, dus zo lang had het Nederlands zich in de
familie weten te handhaven, voor zover het de gewone dingen
betrof: de zaken van koetjes en kalfjes, het weer en de wind.
Het Nederlandse woord verzekeringsagent kende ze niet. We la-
ten een deel van de brief volgen:
– 32 –

Brief van Jane Doeschot-Boevink.

Firth:, Quni 16, 1938

Waarde neven en nichten

Het is at een tijd geleden als wij uw brief ontvan-
gen hebben en daoht dat het wel tijd werd een klei- ^
nigheid te schrijven. Wij zijn allen goed gezond en
hopen van u hetzelfde.
Wij hebben dit voorjaar zooveel regen gehad, dat de 4
boeren haast het koren (niet) in konden krijgen en
is het laat geworden. Geheel wat anders dan de laatste
vier jaren, want dan was het te droog. Maar beter te
nat dan te droog, want dan is er voer voor het vee.
Ik wil een paar kleine portretjes van ons bij ons
huis zenden
Het was wel mooi van u om de onkosten te helpen beta-
len als wij zouden komen, maar wij zullen er nog maar
een tijdje over denken, want het is zoo ver.
Mijn man gaat wat uit werken met dorsahen in de zomer
maar anders doet hij wat agentwerk in de insurance-
business ( die was dus verzekeringsagent, waaruit blijkt
dat niet iedere immigrant miljonair werd. EHW ).
“Lal maar eindigen en zouden ook graag van u horen,
your cousin Mrs. Louise Doeschot, Firth, Nebraska U.S.A.

A
– 33 –

Godsdienst en Rassen.
Taal en godsdienst vonden heel lang steun in het samenbin-
dend element van de kerk. Heel lang werden de erediensten
gehouden in de vroegere landstaal van de immigrant. Dat
mocht in Amerika. Wie naar Amerika kwam, moest Amerikaan
worden, wat dat dan ook was, maar Amerika had geografisch
en geestelijk de ruimte om een verscheidenheid aan gods-
dienstige opvattingen te laten bestaan en tegelijkertijd
de ruimte, en dat is de keerzijde, om in het openbaar on-
verschillig te staan tegenover elke afzonderlijke overtui-
ging. Met name in Kansas, dat hij in 1881 bezocht, voordat
hij zich vestigde in Nebraska, werd Frederik Jan getroffen
door grote onverschilligheid onder de Amerikanen. Hij
schreef daarover in zijn brief van 20 november 1881:

“De mensahen over het algemeen zijn hier onversohit-
tig wat den godsdienst betreft, zij behoren niet tot
één of anderen kerkgenootschap en lagahen erom, zij
zijn ook niet gedoopt en zijn tot het heidendom te-
ruggekeerd”.
We betwijfelen, of, wat hij in Kansas aantrof, mocht gelden
voor de godsdienstigheid van de Amerikanen in het algemeen.
Wel valt uit die brief, gepubliceerd in Old Ni-js nr 2,
voor wie enigszins op de hoogte is met de geschiedenis van
Amerika, op te maken, dat Frederik Jan in Kansas getuige
was van de beschamende wijze, waarop de harde cowboys mee-
dogenloos jacht maakten op bisons en Indianen; een bloedi-
ge strijd, waarin de Indianen kansloos ten onder gingen.
Fred beschrijft in bovengenoemde brief, hoe hij Indianen
zag wegvoeren naar één van de reservaten in het Noorden van
Nebraska. Amerika kende dan wel geen rangen en standen,
maar nog wel inferieure rassen: rood-, zwart- en geelhuiden.

In Nebraska, waar hij zich voorgoed zou vestigen, werd Fred
één van de negen stichters van de kerk in Pella. Volgens de
naspeuringen van Jane Doeschot in de “Record of Pella Church
Organization”, werd die kerk gesticht op 15 mei 1883. Welke
stappen er op die dag precies zijn gezet, is niet duidelijk,
want nog op 30 april had zijn broer Hendrik Jan nog naar
Eibergen geschreven:
“Om hier nu ook nog een kerk te krijgen, is nu ook
voorgesteld door de dominee van Bolland (in ÏSebraska)
aan de Classis of Synode van de Hollandsohe Gere for-
– 34 –

meerde Kerk, Wij kunnen wel hulp krijgen om de kosten
te dekken voor kerk en predikant, maar wij zijn nog
te weinig om de overige te kunnen betalen, en natuur-
lijk hoe meer handen, hoe lig ter werk, zoodat ik wel
zou willen, dat hier meer Hollanders kwamen vestigen”,

Waarschijnlijk heeft Frederik Jan jaren lang z.g. “leesdien-
sten” gehouden, want in 1886 schreef hij:

“Verder vraag ik, of het genootschap van predikanten
nog bestaat, die hunne leerredenen uitgeven door de
heer Mulder uit Delft. Daar heb ik om predikatiën
naar toe geschreven, maar ik heb nog geen bericht terug”.

En in 1887 schreef hij nog:

“We hebben hier in Telia nu ook een dominee, maar een
kerk is er nog niet, er wordt nu godsdienst gehouden
in een planken looze”.

De kerk is er wel gekomen en de kerk in Pel la bestaat nog
steeds. In 1965 heeft één van de Boevink-nazaten uit Rekken,
de heer Wolfs een bezoek gebracht en op zondag een kerkdienst
meegemaakt. De vriendelijkheid waarmee de kerkgangers hem na
afloop van de dienst tegemoet traden, was voor hem hartver-
warmend.
Amerika mocht dan prat gaan op zijn vrijheidszin en geen moei-
te hebben met in elke straat een andere kerk, met de R.K. kerk
hebben de Amerikanen vanaf het prille begin (17e eeuw) tot in
onze eeuw moeite gehad. Ze was voor velen, vanaf de Pilgrim
Fathers, het symbool van de onvrijheid, daarenboven sinds de
Amerikaanse Onafhankelijkheid (1776) on-Amerikaans, want de
R.K. kerk ontleende haar wachtwoord aan een macht buiten Ame-
rika, n.1. de paus te Rome.
Pas in 1960 speelde het anti-katholicisme geen factor meer
van politiek gewicht, toen John F. Kennedy, van Ierse afkomst
en Katholiek, tot president werd gekozen.
Het is opmerkelijk, dat in de genealogische tabel van de Boe-
vink-familie van haast niemand de kerkelijke gezindte wordt
vermeld. Pas uit de vierde generatie (achterkleinkinderen)
wordt van twee gezinnen, waarvan de huwelijken gesloten werden
na 1960 vermeld, dat ze actief betrokken zijn bij de R.K.
geloofsgemeenschap van hun woonplaats. Ook in godsdienstig op-
zicht assimileert de familie Boevink dus naar de Amerikaanse
samenleving.
– 35 –

In de Smeltkroes.
De kinderen van Fred Boevink en Diena groeiden op in een
nieuw land zonder historie en cultuur. Hun ouders spraken
Nederlands en ze gaven hun kinderen een calvinistische op-
voeding, geïsoleerd van de grote wereld. Die kinderen wer-
den net als hun vader boer en huwden boerenzonen en doch-
ters van Nederlandse immigranten: Knipper, de Roe, van
Diest, Doeschot en Heetlage. Pas na 1920 kiezen de twee
jongste zonen een “engelse” vrouw. De kleinkinderen treden
al wat meer uit de beslotenheid.
Naast namen als: Nieveen en Essink, komen namen als Scott,
Bowen, Weber, Meyer, Fischer en Martin voor, die wijzen op
Engelse, Duitse of Franse herkomst. Hun geboortedata liggen
tussen 1915 en 1935, de vrouwen zijn huisvrouw zonder be-
roep buitenshuis, behoudens een enkele onderwijzeres, de
mannen zijn boer of hebben een beroep, hetzij technisch,ad-
ministratief of economisch in de agrarische of aanverwante
bedrijven.
Eén kleinzoon, Ray Boevink, een zoon van Garret, was leger-
technicus bij de nucleaire wapens.Tijdens zijn detachering
in Duitsland bezocht hij de familie in Eibergen. Dat was in
1963 en Ray was toen 30 jaar oud.
Henry John Boevink, de jongste zoon van Fred, en genoemd
naar diens broer Hendrik Jan, kreeg maar één zoon, Richard.
Hij is predikant in Los Angelos. Zijn zoontje Joel, geboren
in 1979 is de enige die het geslacht ‘Boevink’ in mannelijke
lijn kan voortzetten.
In de vierde generatie, de huidig maatschappelijk actieven,
neemt de verscheidenheid nog toe. Oosteuropese namen als
Karbowski, Plewniak, Tejral doen hun intrede in de familie
naast namen als Mulder en De Vries.
Het beroepenpatroon is rijk geschakeerd: er zijn boeren bij
( en met Hollandse namen), benzinepomphouders, verzekerings-
agenten, loonwerkers, één is er piloot bij de luchtvaart,
een ander notaris en drie jonge mannen studeren aan een
universiteit.
De enige dochter van Herman Boevink heeft een hele onderwij-
zersfamilie voortgebracht; de meeste vrouwen van deze gene-
ratie van na 1940 werken ook: als secretaresse, schoonheids-
specialiste, in de mode en in het onderwijs of gezondheids-
zorg. Universitair geschoold is slechts een klein percenta-
ge. Het merendeel woont in Z-0- Nebraska, en dat is ook het
geval met de nakomelingen van de twee Bouwenskinderen.
– 36 –

De handeldrijvenden en de academisch geschoolden wonen ver-
spreid van Californië in het Westen tot Florida in het Zui-
den en Massachusetts in het Oosten. Mensen die werken voor
hun brood; het sprookje van de krantejongen, die miljonair
werd, komen we in de familie Boevink niet tegen.

Wat is dat, een Amerikaan?
Afgelopen jaar verscheen van de hand van prof. Dr.Rob Kroes
het boek “Naar het BEELD van de VRIJHEID, IMMIGRANTEN en
AMERIKA”, een sociologische studie over de immigrantenge-
schiedenis van de Verenigde Staten van Amerika.
Centraal in het boek staat de vraag:
WAT IS DAT, EEN AMERIKAAN?
Reeds in 1782 wees, volgens prof. Kroes, een Franse immigrant,
de edelman Crèvecoeur, de weg naar een antwoord op deze vraag
in zijn boek: “Letters from an American Farmer”, waarin hij
met vooruitziende blik, en naar meer dan 100 jaar later bleek,
met grote trefzekerheid de Amerikaanse samenleving beschreef:

“De Amerikaan is een Europeaan of de afstammeling van
een Europeaan^ maar in een mengeling, zoals nergens
anders voorkomt. Die alle oude tegenstellingen en ze-
den aohter zich heeft gelaten, die Europa verdeeld
hielden. Ik zou u zo een familie kunnen aanwijzen,
waar de grootvader een Engelsman was, zijn vrouw een
Hollandse, waar de zoon getrouwd was met een Franoaise
en de vier kleinkinderen nu echtgenoten hebben van
verschillende nationaliteiten”.
Hij zou de familie Boevink bedoeld kunnen hebben.

Eibergen, januari 1987
E.H. Wesselink.
BRONNEN EN LITERATUUR:
– R. Kroes, Naar het beeld van de vrijheid, immigranten en
Ameri ka (Amsterdam/Dieren 1986).
– The Bouwens-Christiaanse-Boevink History and register of
descendants, compiled by Merna IMeyer (z.p. 1980).
– Familie-archieven families Geessink/Wolfs/Blankvoort.
– 37 –

D e hof Ton Alvinchove

5. Gewit Sohotte Olminkhof: werkgever van meiden en knechten.

Op de grote b oerenhofsteden waren vroeger veel meiden en knech­
ten nodig. Alles gebeurde immers met de hand en dat alles bij
elkaar was nogal wat.
Ik denk b ijvoorb eeld aan: melken, karnen, rogge maaien, binden,
dorsen, gras maaien, hooien, spinnen en weven. Op sommige hoe­
ven werd zelfs het eigen b ier gebrouwen of genever gestookt en
ga zo maar door. Er was eindeloos veel te doen.
Om het huis schoon te houden moet ook een heel karwei zijn ge­
weest. Er waren immers nog geen stofzuigers. Buiten was geen
bestrating, hooguit wat “kinderkopjes”.
Dus kwam er altijd stof en modder aan het schoeisel mee naar
binnen. We gaan nu zien wat er genoteerd staat, hoofdzakelijk
in Gerrit Olminkhof zijn schrijfb oek “Den ligger 1783”.

1773 Onze knegt Jan Derkink gekuierd voor 24 Guld. en
daarna verdiend hij 25 Guld. tot an het Jaar 1779
en 2 hemde en 2 hemtroke en Een ■paai’ Schoene. Jan
koomt toe Een hemt. Een hemtrok, Eene bokze van
het gaar 1779.
1777 Onze knegt Gerrit Ter Maat gehuierd voor 20 Gulden.
Nog gedaan een kanne Foesel. N og gedaan 1 Guld.f 2­2­0
Nog gedaan op N eesse karmis f 2 ­ 2 ­O

Deze mensen waren kennelijk al langer in dienst want er wordt
gesproken van: onze knecht. Het dienstverband liep van 1 mei
tot volgend jaar 1 mei.

1780 Hekeninge van de knegt Gerrit Kaamsaher op May 1780
en verdient dit jaar 22 Gulden en twe paar Schoene
en twe hemde en Een hemtrok en Een bokze en dit
volgende jaar 1781 weder gehuierd voor het boven­
staande loon.
1780 Den 17 September gehuerd Jan Hendrik Heultermans op
May 1781 en verdient 25 Gulden en Een paar Schoene
en Een paar strophozen en Een hemtrok en Twe hemde
en de hemdlappen.
1809 Den 50 Juli jus Jan Hendrik Kaarmans, of Scheink
genaamd, gehuierd. N eemt zijn aanvank met Meij 1810
voor 28 Guld. Jaarlieks en twe paar Schoene en twe
Hemde met twe ansetzels En twe linnen Broeken Een
paar Stropkousen.
– 38 –

Een tinnen hemtvok Een Zinnen Beuis. Het Geld
voldaan. An Kaarman voldaan het Loon van 1811
op den Meij 1812 Betaald.

Op dit loon waren al enkele voorschotten gegeven, ziet u maar;

1811 Op de begraffenis van uw moeder an Uw gedaan
Zoo ik niet beter \]eet ƒ3. 2. –
Eybergen Kermis an uw gedaan f 2.10. –
dito nog vredense mark an uw f 1. 2. –
dito Nog an uw Kan Genever die uw heeft met
genomen Na Kormelink.
Bij het voldaan staat nog vermeld: mit ook afgetrokken
de 15 Stüver voor de Cantons belastinge.

Dan nu het een en ander over de dienstmaagden.

1808 Berendina te Neienhuis Gehuirt van Mey 1809
tot Mey 1810 voor tien Gulden Linnen Geliek
de andere maagden en Een paar Schoene.
1809 Den 19 van Wintermaand an uw Gedaan tot Een
Sersieien Jak drie Guld.- 11 stuv. – 4 duiten.
Nog tot Sohoelappen an uw ƒ 0-2-0 Dito nog an uw ƒ 3-0-0
1819 Marij van Gemen gehüurt van het Jaar 1819 tot
mei 1820 in linnen En loon En alles geliek
Marie ten Eisen wanner Zij in alles geliek die
kan werken is 11 Gu.
1819 Marij in bewaringe gedaan 3 Gu. 4 dü. an Marij
te vaader gedaan ? nog an Haar vaader
voor haar 12 Stu. dito Nog van Een Sahordeldoek
Bet. 7 Stu. nog voor de leppinsohe (Leppinkse ?)
voor uw 6 Stu. Een halven oord Genevev op Kruid 2 Stu.
Nog betaald voor verven van een Sahordeldoek 8 Stu.
Nog voor uw betaalt an dokter Kok ƒ 1-10-0
Te samen an uw Betaalt ƒ 4-15-4
Voor de genoemde Maria ten Eisen staat o.a. nog vermeld:
an uw tot kerkhüre twee stüv.
Dit zal wel de zogenaamde bankenpacht geweest zijn.
1811 In Louwmaand 1811 Gehuurd Johanna overbekink van
Mei 1811 tot Mei 1812 voor f 12. Linnen geliek de
andere meiden 6h Elle flessen doek Een Groffen
Sahordeldoek Een elle Bredoek Een paar Schoene.
– 39 –

181S Tegen anstaane Meij 282Ó Gehuurd Willemirux Koelink
dogter van Derk Koelink op de kamp wonagtig onder
Hogsberge voor f 11 Gü. Jaarlieks En 5 fierdel Spint
lien Seien En Linnen als geioonlik Een paar Schoene.
Dit waren enkele van de vele arbeidsovereenkomsten. Het blijkt
dat men met hoofdletters niet zo goed raad wist want ze worden
voor ons doen te pas en te onpas gebruikt. Ik denk dat dit ook
te maken heeft met het Duits dat op maar enkele kilometers af-
stand was en waarin alle zelfstandige naamwoorden met een
hoofdletter werden geschreven.
Ook werkten er mannen in “los verband”. Hieronder het relaas
van een zekere Esken Nalenberg.
Esken Nalenberg heeft gekregen Een kaar vol hooy van
4 gulden. Den 6 April 1776 nog geleent 1 Gu. 15 Stuv.
Nog gekregen Een schepel Boekweyte enen daalder.
1776 den 16 May Een half Sohipel boekweyte a fO-20 Stüv.
Nog 24 Pond brood het Stuk 5 duyten.
1775 Esken heeft geholpen Ag dagen vrugten (afrasteren).
5 Stuyver dages. Nog twe dagen dorssohen. Nog Elf
stukke garen gesponnen. Nog 5 dagen dorssohen.
Nog enen Dag na veene. Nog enen Dag rogge meyen. Nog
Tijn Stukke garen en 15 bind gesponnen.
1779 Spelbroek (Spilbroek bij Neede) heeft gemaakt: 20 elle
linnen is 2 Gul. en 5 Stuv. en 4 elle tir. 0-12-0
1781 Den Eersten April heeft hiQ gemaakt 60 elle vlissen
doek. 25 elle grof doek. 30 elle vlessen doek.

Als je ziet wat de gangbare lonen waren lijkt dat voor ons erg
weinig. De uurlonen in onze tijd zijn hoger dan toen de jaar-
lonen. Maar vaak was de kost en inwoning veel waard. Was een
zoon of dochter bij een boer “in betrekking” dan werd er thuis
gezegd: “één minder aan tafel”. Er waren immers vele monden te
voeden. Men was ook blij wanneer de zoon of dochter een goed
kosthuis had bij een boer.
Maria ten Eisen was bij de “Scholte” in dienst van 1817-1823.
Zij had het kennelijk goed naar de zin. En wie weet ging zij
toen wel trouwen.
Bij sommige knechten zie je ook dat ze jaren achtereen bleven.
Die hadden blijkbaar geen trouwplannen.

Wehl,
J.J.M. Olminkhof
– 40 –

Scheppels mankzaod

Van Pinhöltjes en Harketande.
In Old Ni-js nr 4 vroegen we naar de betekenis van het woord
“pinholt” naar aanleiding van het gezegde: “Een mense is
lange gin sik en ok gin pinhöltjen”.
Dank zij één van onze leden, Jan Tragter, weten we nu, wat
een pinhöltjen is en hoe het gezegde moet luiden. Een pinholt
was een houten pen, die diende, om houten balken of planken
stevig met elkaar te verbinden.
De ambachtslieden vroeger, bedien-
den zich veelvuldig van houten
pennen, niet alleen bij het bouwen
van huizen, maar ook bij het ver-
vaardigen van kisten, kasten, ta-
fels en ander meubilair.
Door de industrialisatie is de
houten pen grotendeels door de me-
talen stift, de spijker, verdrongen.
De spijker werkte veel sneller dan
de houten pen, want men kon de
spijker direkt in het hout slaan,
omdat metaal harder is dan hout.
Voor houten penverbindingen moes-
ten (en moeten) eerst gaten in het
hout geboord worden. Maar ook nu
nog geldt, dat meubelstukken als
kasten, tafels en bureaus van meer
degelijkheid getuigen, als ze “gepend” zijn. Niet alleen tim-
merlieden en schrijnwerkers werkten met “pinholt”, ook de
schoenmakers, ook schoesters genoemd, gebruikten ze dagelijks
voor het verzolen van de schoenen, die vroeger, toen men nog
geen rubber of ander kunstmateriaal kende, uitsluitend leren
zolen hadden.
Aan de “gepende” zolen kende men de deugdelijkheid. Ijzeren
nagels roestten door de natte weg, maar ook al door het zweet
van de voet, dat via het zool leer doordrong tot de nagels.
Door de roesting hechtte de nagel slechter, zodat de zool niet
meer waterdicht was. Ook liet de zool daardoor los, zeker, als
de kop van de spijker afgesleten was.
Wilde men schoenen degelijk verzoold hebben, dan werden ze
“gepend”. De houten pen was kegelvormig, dus schuin naar de
punt toe gesneden.
– 41 –

Bij nat weer zwol zowel het leer als de houten pen, want
beide waren natuurprodukten. Daardoor werd de zool dus wa-
terdicht afgesloten. Door het puntvormig toegesneden zijn
van het “pinhöltjen” ging een gepende schoenzool bijna
nooit loszitten. Omdat het hout net iets harder was dan
leer, kon het “pinhöltjen” zonder boor in het leer gedre-
ven worden.

Harketanden.
De op de boerderij gebruikte harken waren van hout. De tand
werd in de hark “gepind”. Het hout van hark en harketanden
moesten kurkdroog zijn bij het pinnen. Anders zouden de tan-
den bij droging door de krimpwerking er ras weer uitvallen.
Maar vroeger had men tijd om hout te laten drogen.
Het gezegde uit de vorige Old Ni-js moet dan ook luiden:
“Een mense is lange gin sik, en ok gin pinholtc’en,
want dan kon i-,j der harketande van snieden”.
Bedankt, Jan Tragter. Maar, wat bedoelde men, als men zei:
“Een mense is lange gin sik”. Wie helpt ons?

En nu weer wat “platte” gezegden, die we bij elkaar sprokkel-
den. Het kiezen en zoeken van een vrouw heeft de gemoederen
altijd bezig gehouden. Hoe vind je een vrouw? Nu, zo:
11. “Wat oew van Godswaege is too’edaoh, wod oe vanzelf
in bedde ‘ebraah. ”
Of het zo simpel ging, betwijfelen we. Was deze uitspraak
nu een uiting van geloof in goddelijke leiding, of berus-
tende vroomheid na terleurstelling?
Terleurstelling was er ook, getuige de volgende uitspraak:
12. “lederene wet raod veur een slecht wief, behalve
wee der zelf ene hef. ”
‘t Zijn wel de mannen die de problemen hadden. Ze wisten
blijkbaar niet goed te kiezen. Of hadden ze niets te kie-
zen gehad? Velen “moesten” na wat “onhandige vingeroefe-
ningen”.
Weer en Wind en Werk kwamen steeds weer anders tot uitdrukking:
13. ” ‘t Is trekkerij weer vandage. Dat zeg i-j goed.
Maor ‘t is ok wel reahtveerdig weer. A’j neet warkt,
wo’j kold”.
– 42 –

Trekkerig weer, is een term die nauwelijks in ‘t Neder-
lands is te vertalen, ‘t Is wat onbehaaglijk, weer aan
de koude kant. De uitdrukking “rechtvaardig weer” drukt
uit, hoe heilig de plicht tot werken was. Op niet werken
moest straf volgen, desnoods via kou lijden.
Langslapers. Jansen van de Kraejert kump altied achteran.At
een ander de haver maejt, is Jansen nog met de rogge bezig.
Jansen is altied later op ‘t land as een ander. At iedereene
de vensters al too hef, dan löp Jansen nog in den tweeduus-
tern rond te moggelen. Hoo dat kump?
14. “Oc/Zj den kan ‘s aovends neet in ‘t bedde komm’n
en ‘s morgens neet in de bokse! ”
Als een kind ‘s morgens moeite had met het opstaan zong
men:
15. ” Slaopkop, slaopkop, steet vn negen uur op.
Pas un hallef tiene, nooit zo’n slaopkop ‘ezeene.”
De achterhoeker had niet al te veel op met vroompraters:
16. “Waart OW veur fienen en motvaegen.”
Het Achterhoeks had enkele specifieke woorden voor zich lo-
pend voortbewegen:
17. ” Kiek es^ hoo den kleinen pork door kump anfoddeken.”
Dat kon ook van een oud vrouwtje gezegd worden.
Schraggelen: zich moeizaam voortbewegen over een ongebaande,
nauwelijks begaanbare weg door gladheid, opdooi enz.
18. ” Now Tio’j toch es zeen, wee door deur den zandweg
kump ansahraggeln. Dat zo’n old mense toch neet in
‘t hoes blif met disse kelte. De weg is jao zo glad
en onlieke, dat ow iederbods de bene onder ‘t gat
wegsoheet. At ze iiaor neet oetgliert, ze zol jao de
butte brekken. ”
Als een kind zich “vast” at in een te groot stuk vlees, zei
moeder:
19. ” Och, spi’j maor oet, i’j heb et ow jao helemaal
in een wisse ‘ekeiwd.”
Een wisse was eigenlijk een klein bundeltje vezels.
– 43 –

Tenslotte een raadsel:
. ” Achter in buurmans höfken,
steet een heel mooi potsen.
Ze pist ter in, ze poept ter in,
de Juffrouw stipt ter eur wittebrood in. ”
A’j het kent, too, laot ons dat dan wetten. Wi’j bunt heel
beni’jd. Bedankt alvast. Allemaole good gaon.

Januari 1986. E.H. Wesselink.
05454 – 71866.

INLEIDING OP HET ARTIKEL VAN DHR. TH.P. VRAKKING.
Soms kun je als redactie voor aangename verrassingen komen te
staan. Eind 1986 kregen wij contact met de heer Th.P. Vrakking
uit Bussum. De heer Vrakking is al jaren bezig met voorouder-
onderzoek en onderzoek naar de geschiedenis van boerderij
Vrakking in Beltrum. Wij hebben hem bereid gevonden in een
aantal artikelen te vertellen over zijn voorouders en hun
lotgevallen.
Hoewel het grootste deel van zijn verhaal zich niet meer in
Beltrum afspeelt, waren wij toch van mening, dat de artikelen
het meer dan waard zijn om opgenomen te worden in ons blad.
In de eerste plaats gaat het bij de familie Vrakking om na-
zaten uit een oud Beltrums geslacht. Als boerderijnaam wordt
Vrakking al vermeld in de goederenlijst van de graaf van
Dale uit 1188. Aan het eind van de 16e en begin 17e eeuw
wordt het erf Vrakking meerdere malen vermeld in relatie tot
de hof te Vaarwerk in Olden Eibergen (gegevens Th.P. Vrakking).
Bovendien blijken veel leden interesse te tonen voor genealo-
gisch onderzoek. Daarnaast was de redactie de mening toege-
daan, dat niet in een te eng geografisch kader gedacht moet
worden.
Wij hopen dat de artikelen van de heer Vrakking anderen zul-
len inspireren om hun onderzoeksresultaten naar de familie-
geschiedenis eens op papier te zetten. Wanneer u denkt, dat
uw familiegeschiedenis misschien wel iets is voor “Old Ni-js”,
aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.
Het erve Vrakking is gelegen aan de Abbinksweg 10 te Beltrum.
De huidige bewoner is de familie Maarse. Naar de heer Maarse
ons mededeelde, lag vlakbij het huidige Vrakking het erve
“01de Vrakking”, maar dat is reeds lang verdwenen.
De redactie.
– 44 –

Een boerenzoon uit Beltrum migreert naar ,,Holland”

De afstcormelingen van Dirk Vrdkking (geh. Beltrum 1 766 en
overl. Naarden 1824).

Op 28 juni 1787 werd Prinses Wilhelmina van Pruisen, de echt-
genote van Stadhouder Prins Willem V, op haar terugreis van
Arnhem naar Den Haag door de patriotten ( het “Comité van De-
fensie”) aangehouden bij Goejanverwellesluis. Haar broer,
koning Frederik Willem II van Pruisen, eiste voldoening voor
de belediging die zijn zuster daarmede was aangedaan en toen
die uitbleef stuurde hij een leger van 20.000 man naar Holland.
Zonder veel weerstand te ontmoeten kon het leger doormarcheren
naar Amsterdam, waar het op 10 oktober aankwam.
Bij de tros van dit leger had zich een aantal ambachtslieden
uit het Oosten van Nederland aangesloten. Toen het leger voor
een deel werd ontbonden en voor de rest weer terugtrok naar
Duitsland, bleven verscheidene van deze ambachtslieden in
“Holland” achter.
Het lijkt zeer waarschijnlijk dat een zekere Dirk Vrakking,
geboortig uit Beltrum, die zich in 1787/1788 in Naarden ves-
tigde, één van die ambachtslieden was.
Hij was timmermansknecht van beroep en toen ca. 23 jaar oud:
een leeftijd waarop een jongeman die wat meer wil bereiken
mentaal en fysiek in staat is om een, letterlijk voorbijkomen-
de, kans te benutten. Over hem en zijn afstammelingen zal dit
artikel gaan.

A. Dirk Vrakking, geboren te Beltrum 1766,
zoon van Dirk Vrakking en Mina Willemsen.
Hij trouwde in 1800 met Femmetje (Euphemia) van Zwaningen,
dochter van de brugwachter aldaar.
Uit dit huwelijk zijn mij zes kinderen bekend:
1. Anthony, geb – 1802 (zie B)
2. Gerharda, geb – 1804 of 1805
3. Wilhelmina, geb – 1810
4. Bernardina, geb. 13 – 6 – 1812
5. Johannes, geb. 28 – 6 – 1815 (zie C)
6. Femmetje, geb. (nog) geen nadere gegevens.
– 45 –

In 1808 verkreeg hij het burgerrecht van de stad Naarden. De
desbetreffende akte luidt als volgt:
” Op den 30 Januarij 1 808 is aan Dirk Vrakking op des-
zelfs verzoek verleend het Burgerregt dezer stad, mits
daarvoor betalende als getrouwd zijnde met een Burgers
Dogter eene somma van tuaalfquldens alsmede aan zijn
twee kinderen genaamd Antonij en Gerritje Vrakking me-
de ‘t Burgerregt verlend, hebbende de gemelde Dirk
Vrakking den gewone Eed hierop ajgelegd.
Vrakking, Dirk; geb. 1 766; beroep: timmemanskneoht. ”
(GA, Naarden, C iv 6, blz. 502)

Hij moet in redelijk goede doen zijn geweest: want een bedrag
van ƒ 12,- was in die dagen geen kleinigheid. Het gezin be-
woonde een flink huis in de stad.
Opmerkelijk is, dat twee van zijn dochters weer trouwden met
resp. een “tuinman” en een “hovenier” ( dit laatste mogelijk
te verstaan als groentekweker; het agrarisch bloed verloo-
chende zich niet ( en later evenmin ). De twee zonen traden
in het voetspoor van hun vader en werden timmerman.
We volgen nu de oudste.
B. Ant(h)ony Vrakking, geboren te Naarden 1802. Hij vestigde
zich te Bussum als zelfstandig “meester timmerman”.
Hij trouwde met ene Antonia van Eijden.
Uit dit huwelijk zijn mij bekend:
1. Theodorus, Bertinus, geb. 15 – 6 – 1833
2. Wilhelmus, geb. 7 – 1 – 1838

Zijn vrouw moet niet lang daarna zijn overleden, want in 1850
begint een nieuwe reeks geboorten, 4 meisjes en 2 jongens uit
een huwelijk met Geertrui da Post.
Over deze huwelijken heb ik weinig kunnen nagaan, aangezien
de Bussumse gemeente-archieven nog steeds niet toegankelijk
zijn. Zowel Bussum als Naarden nemen, om verschillende rede-
nen, niet deel aan het in Hilversum gevestigde Streekarchief
voor Het Gooi en de Vechtstreek. Naarden heeft een eigen ar-
chief, dat veel verder teruggaat dan die van de andere Gooi se
gemeenten.
Voor ons verhaal is alleen de oudste zoon uit het eerste hu-
welijk van belang.
– 46 –

BI. Theodorus Bertinus Vrakking, geb. 15-6-1833,
overl. 10-6- 1892 of 1897.
Hij trouwde op 17-11-1855 met Klasina Majoor,
geb. 22-5-1835, overl. 17-2-1911.
Deze vrouw kreeg in 17^ jaar (3-1-1857 tot 25-9-1874) maar
liefst vijftien kinderen; ze werd toch bijna 76 jaar oud.
De hoge kindersterfte uit die tijd drukte ook op dit gezin;
zes kinderen stierven zeer jong, vijf dochters en vier zoons
bereikten de volwassen leeftijd. De zoons werden alle vier
Trappist in de St. Benedictus Abdij te Achel (België). ,
1. Jacobus Antonius, pater Theodorus O.C.R,
geb. 5-10-1862, ingetreden 25-1-1887,
priester gewijd 11-9-1892, overl. 16-1-1926.
Van 1 november 1900 tot 10 februari 1909 was hij over-
ste van de nieuwe kloosterstichting i.d. Belgische Congo.
2. Antonius Jacobus, pater Bertinus O.C.R.
geb. 11-3-1865, ingetreden 20-5-1889,
priester gewijd 4-4-1899, overl. 30-1-1947.
Hij was metselaar van zijn vak en bleef dit beroep ook
in het klooster uitoefenen.
3. Theodorus Bertinus, pater Josef O.C.R.
geb. 27-11-1868, ingetreden 4-3-1886,
priester gewijd 23-5-1891, overl. 11-11-1892.
Hij maakte deel uit van de groep van 28 monniken, die
in de jaren 1889/1891 werden uitgezonden naar Rochefort
(prov. Luik ) om daar een nieuw klooster te stichten.
4. Gerardus, pater Aloysius Maria O.C.R,
geb. 25-5-1871, ingetreden 1-10-1888,
priester gewijd 25-6-1896, overl. 22-5-1938.
Op 10 juni 1899 behaalde hij te Rome de graad van Bac- |
calaureus in de filosofie. J
Toen in oktober 1914 de Duitsers bevel gaven de abdij i
te ontruimen bleef hij, samen met nog een andere monnik 1
achter om toezicht te houden op de verlaten abdij. R
Eerst was dat pater Servatius van Beek, in januari 1915
werd dat zijn neef, pater Antonius Bus. Omstreeks 6 mei
1915 werden ook de laatste religieuzen verjaagd.

Pas in juni 1917 konden de monniken weer naar hun eigen kloos-
ter terugkeren. Pater Aloysius Maria was daar sub-prior van
1920 tot en met 1927 en prior van 1927 tot 1934.
– 47 –

Boven: het erx>e Vrakking aan de
Abhinksweg 10 te BeZtrum. De
huidige bewoner is de familie
H.W. Maarse. (Coll. fam. Maarse).

,./.
Het eahtpaar Vrakking – Magoor
heeft vele schenkingen gedaan
aan de parochiekerk te Bussum.
– 48 –

De hiervoor genoemde pater Antonius Bus was een zoon van één
der zusters van onze monniken, nl. Antonia Euphemia.
Henricus Fredericus Bus, pater Antonius O.C.R. geb. 16-3-1882,
ingetreden 25-3-1900, werd op 21-12-1907 te Rome tot priester
gewijd, waar hij enige maanden eerder de graad van doctor in
de filosofie had behaald. Hij was cellerier (tegenwoordig zou
men zeggen: econoom) van de abdij van 1915 tot 1912, en later
weer van 1927 tot 1944. Daarna was hij secretaris van abt
Columbanus Tewe. Hij overleed op 8 februari 1962.
De tak van Ant(h)ony Vrakking was hiermede in de mannelijke
lijn uitgestorven: van de vijf meisjes trouwden er drie, één
trad in bij een zustercongregatie en bleef ongehuwd.

Het aannemersbedrijf van Theodorus Bertinus Vrakking was een
zaak van grote omvang. Hij werkte veel voor Defensie en bouw-
de o.a. het fort Pampus. In 1872 werd hem de bouw opgedragen
van de vijf vooruitgeschoven “werken” van de vesting Naarden,
die bij Bussum lagen; de aannemingssom bedroeg ƒ 170.000,-
Een voor die tijd zeer groot bedrag.
Bij de bouw van de nieuwe parochiekerk van Bussum ( in 1883)
was hij ook “de deskundige representant van het Kerkbestuur”.
Het echtpaar Vrakking- Majoor heeft veel schenkingen gedaan
aan hun parochie:
-in 1879 een stel verzilverde canonborden plus lessenaar
voor het missaal “bij gelegenheid van hun 25-jarig hu-
welijksfeest”.
-in 1883 “het St. Vitusraam boven den ingang der (nieuwe)
kerk.”
-in 1889 een groot lindenhouten beeld van de kerkpatroon
in datzelfde jaar schonken zij ook acht bouquetten kunst-
bloemen (altaarversiering) bij gelegenheid van de profes-
sie te Achel van hun zoon Jacobus in het begin van 1889.
-in 1908 schenkt de weduwe van Theodorus Bertinus nog een
“Rood Misgewadenstel met pluviale, velum en dalmatieken”,
voor de som vanf 410,-. Zij sterft 17 februari 1911.
In een tweede artikel volgen wij de afstammelingen van de
tweede zoon van Dirk Vrakking, Johannes (C).

Bussum, januari 1987.
Hr. Th.P. Vrakking.

Het delen van dit artikel stellen we zeer op prijs